Geen politieke strijd rond aids in Afrika

Afrikaanse aidsactivisten doen alles om de taboes rond de ziekte te overwinnen, maar roepen niet op tot een politieke revolte. Dat is verstandig, betoogt Alex de Waal.

Als Afrikaanse leiders bijeenkomen, hebben ze het doorgaans over humanitaire crises die leiden tot de dood van duizenden mensen in de Darfur-regio van Soedan, in Congo en Ivoorkust, waardoor de regeringen van deze landen op hun grondvesten schudden. Er sterven meer mensen door HIV/aids dan door welke oorlog ook, maar toch staat die ziekte niet prominent op hun agenda. Het is een droevige en schokkende constatering. Toch schuilt er wel een politieke logica achter.

In heel zuidelijk Afrika is al een kwart van de volwassenen geïnfecteerd met hiv; in sommige landen zal meer dan de helft aan aids overlijden, ruim voordat ze hun door de bijbel beloofde levensduur hebben vol gemaakt. Jonge mensen lopen het grootste risico; de helft van de nieuwe vrouwelijke geïnfecteerden zijn tieners en vrouwen die nauwelijks de twintig gepasseerd zijn. De levensverwachting op het continent is nóg lager dan die van de Fransen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Twaalf miljoen kinderen hebben één of beide ouders verloren aan de ziekte, en dat aantal neemt nog steeds toe.

Toch heeft het aids-trauma Afrika niet in zijn greep. Geen regering is er nog over gevallen, geen democratie is ineengestort: integendeel, Afrika heeft nu méér gekozen leiders dan ooit eerder in zijn geschiedenis. Er is geen paniek, geen revolutie; er zijn geen rellen en geen bendes van losgeslagen weeskinderen die de steunpilaren van de samenleving slechten. Het continent meldt een paar van de beste groeipercentages ooit: nauwelijks genoeg om de bevolkingsgroei vóór te blijven, maar beter dan tien of twintig jaar geleden. Bovenal, zoals iedere bezoeker van Afrika kan bevestigen, gaat het leven opmerkelijk normaal door. Wat is er aan de hand?

Zackie Achmat is Afrika’s meest effectieve aids-activist. Als seropositieve homoseksueel uit Kaapstad was hij medeoprichter van de Treatment Action Campaign (TAC), die zich inzet voor de verstrekking van medicijnen en méér dan enige andere organisatie heeft gedaan om van aids een politieke kwestie te maken in Zuid-Afrika. TAC-activisten, gekleed in hun kenmerkende met het woord ‘seropositief’ bedrukte tshirts, hebben in het hele land straatbijeenkomsten en sitins georganiseerd. Zij hebben voor de rechter geëist dat de regering antivirale medicijnen ter beschikking stelt voor zwangere vrouwen, om te voorkomen dat ze hun besmetting doorgeven aan hun ongeboren kinderen, en dat er goedkope generieke geneesmiddelen worden geïmporteerd om voor iedereen een behandeling wegens aids betaalbaar te maken. Zackie en zijn medeactivisten zijn allemaal geschoold in de antiapartheidsstrijd en hun tactiek doet denken aan de tijden van weleer, tot en met de slogans die ze op hun vaandels dragen: ‘1985 – Jongeren tegen de Apartheid!’ versus ‘2005 – Jongeren tegen AIDS’.

Maar deze voormalige antiapartheidsactivisten hanteren een fundamenteel andere strategie in de strijd tegen aids. „Wij gaan nu niet te werk als tegenstanders van de regering”, zegt Zackie. „We proberen haar alleen aan haar grondwettelijke verplichtingen te houden.” Vandaag de dag is Zackie geen revolutionair die erop uit is om de ANC-regering omver te werpen, maar een hervormer die tracht haar ertoe te bewegen haar beloften na te komen. Ook al ontkent president Thabo Mbeki dat HIV de oorzaak is van aids, en ook al beveelt zijn minister van Volksgezondheid knoflook en vitaminen aan in plaats van antiretrovirale medicijnen, Zackie ziet zichzelf nog steeds als een loyaal lid van het ANC.

Dit is een principiële opstelling, die bovendien niet van politiek verstand is gespeend. Ondanks het feit dat meer dan een kwart van de volwassen Zuid-Afrikanen HIV heeft, wordt aids door de bevolking niet als het grootste probleem gezien. Uit opiniepeilingen van Afrobarometer blijkt dat werkloosheid en misdaad een hogere politieke prioriteit hebben. Ondanks zijn ontkenning van de oorzaak van aids en zijn getreuzel over een adequate behandeling ervan, kreeg Mbeki bij de verkiezingen van 2004 bijna 70 procent van de stemmen. De TAC wil zich daarom niet beperken tot het bij voortduring uitdragen van een minderheidsstandpunt over aids, maar allianties aangaan met vakbonden, campagnes voor een betere dienstverlening en een keur aan andere organisaties die voor sociale rechtvaardigheid strijden. De TAC probeert de strijd voor een doelmatige behandeling van aids deel uit te laten maken van een bredere sociale beweging.

De Zuid-Afrikaanse TAC is de meest radicale van Afrika’s aids-organisaties. De aids Support Organization van Oeganda, opgericht door de activist Noreen Kaleeba, richt zich op het tegengaan van stigmatisering via het onderwijs en het verlenen van zorg aan mensen met aids en hun families. Met haar inspanningen om de taboes rond de ziekte te overwinnen is Kaleeba misschien een sociale revolutionair, maar zij roept niet op tot een politieke revolte.

Naast hun slimme opstelling in de nationale politiek, hebben zij ook de internationale gemeenschap handig bespeeld. De afgelopen tien jaar is de bestrijding van aids een belangrijk doel geworden van de internationale hulpverlening. Het geld dat daaraan wordt uitgegeven is met een factor tien vermenigvuldigd en bedroeg vorig jaar meer dan 6 miljard dollar. Dat is nog steeds niet genoeg, maar het betekent dat westerse donoren en internationale organisaties als UNAIDS en het Global Fund to fight aids, TB and Malaria in Afrika immense invloed hebben gekregen. En de toename van de fondsen voor de bestrijding van aids is gepaard gegaan met een verandering van de manier waarop de internationale hulp wordt beheerd. In tegenstelling tot de ondoordringbare bureaucratieën van een generatie terug zijn de ministeries en instanties nu toegankelijk voor activisten en vrijwilligers. Het Global Fund heeft Afrikaanse aidsactivisten in zijn bestuur en UNAIDS-directeur Peter Piot spreekt hen regelmatig. Het gevolg is dat de invloed van de Afrikaanse activisten zich uitstrekt tot buiten hun eigen gemeenschappen, en dat de mensenrechten een grote rol zijn gaan spelen in het internationale aidsbeleid.

Als ze aan hun lot waren overgelaten, zouden veel Afrikaanse regeringen ongetwijfeld op de aidscrisis hebben gereageerd met repressie. Er zouden dwangmaatregelen, zoals verplichte aidstests en het ontslag van seropositieven, zijn opgelegd. De aidsactivisten zouden zijn uitgemaakt voor herrieschoppers. In plaats daarvan zijn de aidsprogramma’s van groot belang geweest voor de ontwikkeling van een volwassen publieke opinie. Landen met een vrije pers kennen steevast een beter aidsbeleid, aldus onderzoekers. De democratisering van Afrika is niet vertraagd door aids; integendeel, het antwoord op aids heeft ertoe bijgedragen dat de democratische waarden verankerd zijn.

Maar er zijn zorgwekkende signalen. De Afrikaanse wezencrisis is een enorme menselijke tragedie, maar tot nu toe is het ‘uitgebreide gezin’ er bewonderenswaardig goed in geslaagd hen van zorg en opvoeding te voorzien. Velen zijn hopeloos arm, sommigen worden uitgebuit of misbruikt, en de last van de zorg wordt gedragen door een leger van onbetaalde vrouwen en meisjes dat steeds langer moet werken. Slechts zo’n 5 procent van de Afrikaanse wezen ontvangt hulp van de overheid of van de internationale gemeenschap. Er is een dringende behoefte aan het opzetten van sociale welzijnsprogramma’s voor deze kinderen en hun zorgverleners. Maar er zijn geen tekenen dat weeskinderen zich en masse tot de misdaad bekeren, laat staan tot de terreur.

De Afrikaanse ministeries en legers kraken onder de druk. Veel ambtenaren, leraren, artsen en legerofficieren zijn op het hoogtepunt van hun carrière ziek geworden en gestorven. Anderen zitten ziek thuis of zijn voortdurend op pad om de onophoudelijke reeks begrafenissen van vrienden, collega’s en familieleden bij te wonen. Maar de instellingen die van levensbelang zijn voor de politieke stabiliteit slagen erin overeind te blijven. Als er iets is waar overheden in de hele wereld goed in zijn, dan is dat in het zeker stellen van hun eigen overleving. Eén manier waarop zij dat doen, is het kopen van geneesmiddelen voor de elite. Onethisch misschien, maar wel effectief.

Een paar jaar geleden voorspelden analisten dat aids zo’n duivelse catastrofe zou worden, dat de ziekte zou leiden tot de volledige sociale en economische ineenstorting van het ten zuiden van de Sahara gelegen deel van Afrika. Het is nu duidelijk dat dat niet zal gebeuren. De problemen zijn ernstig, maar – met behulp van het juiste beleid – wel beheersbaar.

Het AIDS, Security and Conflict Initiative (aids, Veiligheids- en Conflict Initiatief) van het Clingendael Instituut in Den Haag en de Social Science Research Council (SSRC) in New York, werd dit voorjaar gelanceerd met als oogmerk de gegevens bijeen te brengen die regeringen en internationale instanties nodig hebben om hun beleid op orde te krijgen.

Afrikaanse legers staan bijvoorbeeld voor nieuwe problemen bij hun vredesmissies. Het kan moeilijk zijn om divisies te vinden die fit genoeg zijn voor zo’n missie, als alle leden daarvan seropositief zijn. Moet het bestaande beleid worden gewijzigd om toe te staan dat ook seropositieve soldaten deelnemen? En wat zijn de verantwoordelijkheden van het land dat de soldaten zendt – of van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie – tegenover vrouwen in het gastland die geïnfecteerd worden met HIV? Moeten de regeringen van donorlanden militaire ziekenhuizen ondersteunen en soldaten van medicijnen voorzien, of moet de hulp beperkt blijven tot burgers?

Hoewel de belangrijkste staatsinstellingen de ernstigste schade van de epidemie wellicht nog binnen de perken kunnen houden, liggen ziekenhuizen en scholen in sommige landen stil, niet alleen vanwege aids, maar ook doordat de salarissen zó laag zijn en de arbeidsomstandigheden zó slecht, dat het personeel vertrekt op zoek naar een baan elders. Vrijwilligersorganisaties proberen de ergste gaten te dichten, maar er is behoefte aan een getraind kader dat voor de essentiële dienstverlening kan zorgen. Deze behoefte is groter geworden door toedoen van aids. Deskundigen op het gebied van het terugdringen van de armoede stellen dat Afrika naast ontwikkelingsprojecten ook fundamentele sociale voorzieningen nodig heeft.

Er is een eenvoudige politieke formule om te voorspellen wat een regering wel en niet zal doen: die van de politieke drijfveer. Het belang van politieke leiders bij het overleven van hun staat ligt voor de hand, dus is het geen verrassing dat de reactie op de aidscrisis dat doel opmerkelijk goed heeft weten te verwezenlijken. De politieke drijfveren voor de bevordering van de behandeling van aids zijn eveneens duidelijk: er is een stemhebbende groep mensen die campagne voert voor een adequate behandeling en een heel grote groep potentiële kiezers met HIV die daarvan profiteert. Het verstrekken van medicijnen is ook een zichtbaar project, met eenvoudige doelstellingen die makkelijk meetbaar zijn. Het is het soort activiteit waar overheidsinstellingen goed in zijn. Het doel om iedereen met HIV toegang te verschaffen tot een behandeling is ambitieus, maar Afrikaanse regeringen en internationale instanties zullen hun best doen om dat te bereiken.

Het voorkomen van HIV-infecties is een heel andere zaak. Aids wordt omgeven door een nevel van stigma en ontkenning. Je moet het dan over seks en condooms kunnen hebben, iets wat weinig politici niet graag doen. Een ander probleem is hoe je succes moet meten. Omdat het HIV-virus acht tot tien jaar latent aanwezig kan zijn voordat de geïnfecteerde aids ontwikkelt, is het technisch heel moeilijk om het aantal nieuwe infecties te meten en te zeggen of dat omhoog of omlaag is gegaan. Het totale aantal geïnfecteerden kan wel worden gemeten (HIV-verspreiding), maar als het aantal nieuwe infecties dit jaar daalt, zal het vijf tot zes jaar duren voordat de verspreidingscijfers omlaag gaan. Politici wachten niet graag zo lang. Voor de keuze gesteld zal een leider eerder geneigd zijn geld te geven aan iets wat snel en zichtbaar resultaat oplevert – zoals een behandeling.

Ondanks het feit dat veel andere waardevolle resultaten zijn geboekt, zoals het opvoeren van de toediening van antivirale geneesmiddelen, blijft de epidemie helaas voortwoekeren. Toch kan dit veranderen. De Afrikanen – met name de jongeren – hebben grote behoefte aan informatie. Hoe beter de nieuwsvoorziening is, des te meer er is om over te praten. Een vrije pers van goede kwaliteit is de beste manier om de nevel van angst en desinformatie te laten optrekken, en jonge mensen in Afrika in staat te stellen hun eigen leven in de hand te nemen en gevrijwaard te blijven van HIV.

Alex de Waal is verbonden aan het Global Equity Initiative aan de Universiteit van Harvard en programmadirecteur bij de Social Science Research Council in New York.