Geen bodemschatten maar wel atoombommen in de grond

Hoe koestert een land zijn natuur? Onze correspondenten reizen deze zomer langs natuurparken. Vandaag het geheim van de Russische taiga: onontplofte kernbommen in de grond

Zelf water mee nemen, waarschuwt onze hotelbazin in de stad Oechta als zij hoort dat we naar het Petsjora-natuurreservaat gaan. „Het is daar zwaar radioactief. U kunt er beter ook niet zwemmen en geen vissen, bessen of paddenstoelen eten. Want dan krijgt u zeker leukemie.”

Een verrassende mededeling, wij dachten op weg te zijn naar een van de schoonste plaatsen ter wereld. Ruim zevenduizend vierkante kilometer taiga, toendra, moeras, alpenweide en gebergte, krioelend van de adelaars, beren, wolven, marters en bevers, doorsneden door kristalheldere beken. Zo staat het althans beschreven op de website van UNESCO’s ‘World Heritage Fund’: Petsjora is het grootste ongerepte taigabos van Europa.

Het reservaat ligt in het noordwesten van de Oeral. In 1919 bestemde Lenin hier ruim twaalfduizend vierkante kilometer tot ‘zapovednik’. In zo’n reservaat laat men de natuur volstrekt met rust, alleen wetenschappers mogen er flora en fauna bestuderen. Rusland telt ruim honderd zapovedniks.

In het dorpje Jaksja wonen de zeventig werknemers van het natuurreservaat in houten hutten tussen het naaldwoud. Er heerst armoede, maar men is er beter aan toe dan tien jaar geleden. Toen stuurde Moskou helemaal geen geld en overleefde het personeel van de opbrengst van hun tuintjes, de jacht en visserij. Anderen, zoals de bioloog Koeprianov, konden zich het dure Moskou niet langer veroorloven en streken daarom met hun magere salaris neer in deze verre taiga.

Nu is er wel geld voor salarissen, maar klaagt directeur Jakoesjev dat zijn bazen geen idee hebben wat ze met zapovedniks aanmoeten. President Poetin, geen vriend van ecologen, wees de natuurreservaten toe aan het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen. Daar weet men veel van houtkap, maar weinig van natuurbescherming.

Het dorpje Jaksja ligt hoog op de steile oever van de rivier Petsjora. Niet hoog genoeg: onlangs spoelde het archiefgebouw weg, het archief zelf werd gered. Wandelend door Jaksja vinden we in het gras een berenschedel met de inscriptie ‘1991’. „Ach”, zegt bioloog Koeprianov achteloos. „Die heeft een hond uit ons archief gestolen. Kijk, hij heeft het jukbeen eraf geknaagd.”

Reservaat Petsjora dankt zijn overleving aan zijn ligging, ver van de bewoonde wereld. Vanaf Jaksja, waar een snippertje reservaat ligt, is het nog 150 kilometer varen voordat je er echt bent. Daarom is het simpel de bootjes van stropers tegen te houden in de nederzetting ‘Kordon’, waar vijf boswachters wonen. Helikopters die steenrijke vissers en jagers op groot wild illegaal in het park droppen, zijn een irritant nieuw fenomeen. Maar zij bedreigen de wildstand niet wezenlijk. „Hoewel we soms wensten dat we luchtafweergeschut hadden”, grapt bioloog Koeprianov.

Gevaarlijker was het Franse houtbedrijf dat begin jaren negentig een licentie kreeg om bij het reservaat te kappen. Dat had de zapovednik binnen bereik van houthakkers en stropers gebracht: de dood op termijn. Toen UNESCO het reservaat in 1995 toevoegde aan de lijst van Werelderfgoed, was het plan van de baan.

Dat was niet de eerste keer dat het voortbestaan van dit reservaat aan een zijden draadje hing. Lenin stelde in 1919 weliswaar zapovedniks in, zijn opvolger Stalin had geen geduld met natuurbescherming. In 1929, toen de grootschalige industriële expansie in de Sovjet-Unie begon, gebruikte Stalin het begrip zapovednik als metafoor voor nutteloze wetenschap: „Onze wetenschappers leven in een speciale zapovednik voor de bedreigde diersoort der bourgeoisgeleerden. Daar verstoppen ze zich in hun warme hoekjes.” In de Sovjet-Unie was geen plaats voor Meesters Prikkenbeen met vlindernetjes: alles moest nut hebben.

Dus haastten de directeurs van de natuurreservaten zich om hun nut te bewijzen. Hun zapovedniks waren geen natuurgetto’s, maar enorme laboratoria waar de Sovjetwetenschap in de woorden van de gevierde botanist Michoerin, „de gunsten der natuur niet afwacht, maar ze aan haar ontrukt”. Ze zetten vreemde dier- en plantsoorten uit om ze te laten ‘acclimatiseren’: de marxistische wondermethode om erfelijkheid te overwinnen. Soorten konden volgens deze modieuze theorie in een vijandige omgeving groeien door ze geleidelijk, generatie op generatie, te laten wennen. Zo zou de Sovjet-Unie ooit graan verbouwen boven de Poolcirkel en sinaasappels kweken rond Moskou. In dat kader liet men in de zapovedniks bijvoorbeeld op grote schaal muskusratten los.

Maar dit soort nuttige experimenten hielpen een zapovednik niet als er grondstoffen in de bodem lagen. Vanaf de jaren dertig rukte rond het Petsjora-reservaat de Goelag op. In het noorden legde Stalins slavenleger spoorlijnen, steden en wegen aan om de kolenbekkens van Vorkoeta te exploiteren. In het oosten ontdekte men rijke olie- en gasvelden, de Komi-republiek in het westen had de gehele periodieke tabel der elementen in haar bodem. Dan moest in reservaat Petsjora ook wat liggen, vermoedden de Sovjetplanners. In 1951 verkleinde Moskou de zapovednik tot twee minieme snippertjes bos. De geologen konden aan de slag.

„En God zij geloofd: wij hadden niets! Wat lood en piepkleine gasbelletjes, te klein om te exploiteren”, zegt Aleksandr Bezjkajev, archivaris van de zapovednik. In 1959 vergrootte partijleider Chroesjtsjov het park weer tot ruim zevenduizend vierkante kilometer. Het was toch maar nutteloos bos.

In diezelfde tijd deed een ander plan opgang: perebroska, wat zoiets betekent als ‘omgooien’. Volgens dit plan moest de loop van drie Europese en twee Siberische rivieren worden omgelegd van noord naar zuid. In plaats van nutteloos richting Noordpool te stromen, zou hun water de droge woestijnen in het zuiden irrigeren. Omdat de goelag was opgeheven, ontbrak de mankracht om kanalen met sluizen te graven. Dus ontwikkelden waterbouwkundigen het lumineuze idee om met atoombommen een geul aan te leggen, een methode die ook in het Westen werd bestudeerd. Dit plan had de ecologie van het Petsjora-bekken ingrijpend gewijzigd.

Op 23 maart 1971 had een eerste experiment plaats. Enkele tientallen kilometers zuidelijk van het dorpje Jaksja werden drie atoombommen van 125 kiloton op 127 meter diepte ingegraven. Doel was te kijken hoever de bodem zou verzakken. Voor het ombuigen van de Petsjora waren zo’n 123 atoombommen nodig, schatten de geleerden vooraf.

Directeur Jakoesjev van het reservaat zag als dorpsjongen de konvooien voorbijkomen: militaire trucks en jeeps, boten met zware boorapparatuur, helikopters vol geleerden. „Op 23 maart trilde ons dorpje op zijn grondvesten. Ik herinner me dat het naar gas rook. Dat werd door de kracht van de explosies de bodem uitgedrukt.”

In het zuiden steeg een rookpluim van twee kilometer hoogte boven het naaldbos op. De proef bleek geen succes: er ontstond een vies radioactief meertje dat nu stof biedt voor zwarte legendes. Er zouden kuddes albino-elanden rondzwerven. Iedereen in de omgeving sterft aan leukemie. Twee van de drie atoombommen zijn niet ontploft, mysterieuze Arabieren zijn daar nu naar aan het graven. Jakoesjev: „Tot 1991 maten ze hier nog regelmatig op radioactiviteit, nu is iedereen het experiment alweer vergeten.”

Hij glimlacht als ik hem vertel dat ze in de stad Oechta zijn natuurreservaat als een nucleaire hel zien. „Nou, mooi meegenomen. Als dat de stropers en vissers afschrikt.”