Een republikeinse koning

De koning van Spiti neemt het leven zoals het komt, maar hij wil niet tot de Tibetanen gerekend worden.

De koning van Spiti woont in een witgekalkte boerderij. Op het dak wapperen boeddhistische gebedsvlaggen en daar ligt ook hooi te drogen. Mijn reisgenote, een non, duwt me voor zich uit: „Spreek jij maar met de koning, ik durf niet.”

Maar de slanke leider heeft niets intimiderends. Hij is sportief gekleed in een lichtblauw overhemd en een kaki broek. Zijn voeten steken in gestreepte sneakers. Door gangen van met leem afgestreken muren gaat hij ons voor naar een ruime kamer. Hoge ramen bieden uitzicht op een vallei van steen en onmetelijke toppen. „Prachtig”, verzucht ik. „Ja”, beaamt de koning, die Nono heet, met zachte stem, „het landschap van Spiti maakt dat een mens zich klein en nietig voelt.”

„Majesty...” begin ik weifelend, maar de vorst onderbreekt me met een afwerend gebaar. „Officieel is hier niemand koning. De Britten hebben Spiti in 1846 ingenomen, sindsdien zijn we niet onafhankelijk meer. Tegenwoordig vallen we onder India.” „Maar de mensen”, zeg ik, met een blik op de non die hem nauwelijks durft aan te kijken. „De Spitianen respecteren ons”, zegt de koning. Ernstig voegt hij eraan toe: „Persoonlijk ben ik de republikeinse gedachte toegedaan.”

We nemen plaats tegenover een groot portret. Van hemzelf, veronderstel ik, toen hij een jonge man was. „Nee, nee”, reageert de koning tegen wil en dank verschrikt. „Ik ben nooit zo knap geweest. Het is mijn vader.” Die is op de zeer jeugdige leeftijd van 25 jaar overleden. „In 1968, toen er nog geen wegen waren in Spiti”, vervolgt de koning, „ging hij te paard naar het laagland om enkele Indiase leiders te ontmoeten. Op de terugweg werd hij plotseling ziek en is hij gestorven.” „En daarvoor scheelde hem nooit iets?”, vraag ik verbaasd. „Nee, mijn vader was altijd kerngezond.” „En zo jong!”, zeg ik. De koning knikt. Als klein kind had hij geen opheldering kunnen vragen. Autopsie was er niet verricht. „Een maagbloeding werd gezegd. Of een blindedarmontsteking.”

Na de raadselachtige dood van zijn vader werd hij naar een kostschool gestuurd. Zijn moeder kon in haar eentje geen vijf kinderen grootbrengen. De vakanties bracht hij door bij een oom die in de Punjab woonde.

„Toen ik eindelijk terugkwam naar Spiti, voelde ik me een vreemde”, onthult de koning treurig. „Ik sprak Engels, Hindi, Punjabi , maar geen Spiti meer.” De vorst lijkt zich nog steeds niet echt thuis te voelen in zijn geboorteland, misschien was hij wel liever weggebleven. Maar het is nu eenmaal de taak van de oudste zoon om voor de moeder en het familiealtaar te zorgen. Zo komt het dat hij nu al weer decennia in Spiti verblijft. Al die tijd heeft hij de kost verdiend als ambtenaar in dienst van de Indiase regering, in het hoofddorp Kaza, aan de overkant van de rivier.

„’s Zomers moet ik een heel eind rijden naar mijn kantoor, want de brug is hier kilometers vandaan. In de winter ben ik er zo, want dan ga ik te voet over het ijs.”

Een vrouw, gekleed in een Indiase salwar kamiez, komt ons zoete thee met melk brengen. Ze blijkt de zuster van de koning te zijn. „Er zijn te weinig Spitianen hier die administratieve functies kunnen bekleden”, mengt zij zich in het gesprek. „Gebrekkig onderwijs van Spitianen is een groot probleem”, licht de koning toe. De zuster vervolgt: „Het is niet makkelijk voor mijn broer om met allemaal Down people te werken.”

Down people zijn Indiërs uit het laagland, begrijp ik. „Die zien ons Spitianen als een soort wilden”, verklaart de zuster. „Ze hebben het hier moeilijk”, werpt de koning vergoelijkend tegen. „Ze komen uit de tropen, hier heerst een arctisch klimaat.” Zo makkelijk is zijn zuster niet op andere gedachten te brengen. „De Down people kunnen verschrikkelijk zeuren”, zegt ze. „In de winter, ja”, beaamt haar broer. „Dan is het hier ook verschrikkelijk koud.” „Down people klagen het hele jaar door”, meent de zuster.

Ze wijst naar een gravure aan de wand van een kasteelachtig gebouw, bovenop een brokkelige berg. „Dat was ons paleis”, legt ze uit. „We hebben het aan een groep nonnen gegeven, maar die verwaarloosden het. Nu staat het op instorten. De ene non na de andere ging er met een man vandoor.” Ik voel mijn reisgenote naast me in elkaar krimpen. „Ach”, zegt de koning berustend. „Het was voor ons toch niet praktisch om daar te wonen.”

De bergen buiten lijken in brand te staan. De zon gaat bijna onder en voor het donker is willen de non en ik terug zijn in Kaza. Voor de boerderij fotografeer ik de koninklijke familie die zich voor de deur heeft opgesteld. De koning, zijn vrouw en hun twee dochters. Naast de zuster heeft de moeder zich opgesteld, al bijna veertig jaar weduwe maar nog steeds niet ouder dan begin zestig.

Onze woorden klinken ijl in het rotslandschap. „Het is toch wel erg bijzonder”, zeg ik, „dat de Dalai Lama nu in dezelfde Indiase staat woont als waar Spiti toe behoort.” „Ja”, reageert de koning, „als boeddhisten vinden we dat fijn. Maar we zijn totaal anders dan de mensen van de Dalai Lama. Niemand heeft het recht ons tot de Tibetanen te rekenen. Wij zijn Spitianen.” Voor het eerst klinkt er strijdvaardigheid in zijn stem.