De slag om Debye 3

Arnold Heertje brengt de `slag om Debye` terug tot de keuze tussen onverschilligheid en betrokkenheid met het lot van de joden tijdens het nazi-bewind (W&O 12 augustus). Daar is zeker wat voor te zeggen. Toch worden door deze manoeuvre twee belangrijke aspecten van het debat over Rispens` aantijgingen en de besluiten van de universiteiten in Utrecht en Maastricht onder het tapijt geschoven.

Ten eerste: Rispens heeft in zijn boek en in andere geschriften Debye neergezet als een nazi-collaborateur, en niet louter als een onverschillige persoon. Herman de Lang en anderen hebben duidelijk aangetoond dat deze aantijging volstrekt onhoudbaar is. Rispens` stukken over Debye staan vol insinuerend taalgebruik, dat op geen enkele manier door bronnen kan worden gestaafd. Rispens heeft zich daarmee als serieus historicus gediskwalificeerd.

Ten tweede: rechtsgelijkheid. Hoewel nog valt te bezien of het gedrag van Debye louter in termen van onverschilligheid kan worden geduid gaat het niet aan om, als dat wel zo zou zijn, alleen hém tot taboefiguur te verklaren. Talrijke niet-nazistische Duitse en Nederlandse geleerden zijn na 1933, resp. 1940, doorgegaan met hun werk, zonder dat hun naam en faam na de oorlog in diskrediet zijn geraakt. Dat kun je betreuren, maar het is evenmin juist om één persoon eruit te lichten en aan hem een maatstaf op te leggen waaraan anderen niet hoefden te voldoen.