Alitalia is de weg al jaren kwijt

Alitalia bezuinigt en reorganiseert, maar privileges en hoge lonen bedreigen het voortbestaan van de luchtvaartmaatschappij.

Een woensdagmorgen op het vliegveld Fiumicino van Rome. De beeldschermen geven aan dat ik voor de Alitalia-vlucht naar Malta moet inchecken bij balie 318. Het is een grote chaos bij 318. Boven de balie staat eerst „alle bestemmingen”, na een kwartier verandert dat in „Caracas”. Groenwitrode hostesses slalommen met lijsten vol namen door de lange rijen wachtenden. „Genève? Deze rij”, zegt een van hen. Als ik haar vraag of de Caracas-balie ook naar Malta leidt, haalt ze haar schouders op en knikt ja. „Ik ben nu met Genève bezig.”

De kaalgeschoren baliemedewerker slaagt erin om één persoon per zes minuten te helpen. Uiteindelijk check ik net op tijd in. Aangekomen bij gate 10 waar de vlucht naar Malta zou vertrekken, staat op het bordje boven de balie „Belgrado”. Op mijn vraag of de vlucht naar Malta hier ook vertrekt, antwoordt de stewardess, terwijl ze vaag naar links wijst: „Daar, want u kunt niet dwars door de balie.”

Alitalia is al jaren de weg kwijt. Eerst ging de gedroomde fusie met KLM niet door, toen mocht de luchtvaartmaatschappij niet direct aanschuiven bij KLM en Air France en nog altijd heeft de groep een schuld van bijna 900 miljoen euro.

In september zal de Italiaanse regering zich over de vraag buigen of gedelegeerd bestuurder Giancarlo Cimoli nog te handhaven is. Drie jaar geleden werd hij binnengehaald om de Italiaanse luchtvaartmaatschappij te redden, maar het wil niet vlotten.

Hij bezuinigde fors, ontsloeg 2.700 medewerkers, deelde de maatschappij in tweeën: Az Fly met alle vliegtuigen en vliegend personeel en Az Service met al het grondpersoneel en de schulden. En hij kreeg een nieuwe lening van 400 miljoen euro, nadat er in 2001 al eens 2,7 miljard euro en in 2002 nog eens 860 miljoen euro in Alitalia waren gepompt.

Het mocht niet baten. De kosten per werknemer zijn bij Alitalia bijna twee keer zo hoog als bij Lufthansa. Het personeel verzet zich tegen het inleveren van privileges en het verlies van banen. Om de haverklap waren er dit voorjaar weer stakingen. Honderden vluchten vielen uit, waardoor passagiers steeds meer geneigd zijn om bij de concurrent te gaan boeken.

Politici speculeerden begin van het jaar over een mogelijk faillissement van de maatschappij. Sommigen zijn daar voor, omdat ze niet nog meer staatsteun willen geven. Anderen vinden dat Italië het zich niet kan permitteren om geen eigen maatschappij onder de eigen Italiaanse vlag te hebben.

De nieuwe minister van Transport, Alessandro Bianchi, zei half juli in het parlement dat de „leiding [van Alitalia] niet de benodigde professionaliteit heeft gehad om een bedrijf te leiden dat vliegtuigen laat vliegen”. Volgens hem duldt de situatie geen uitstel meer en moeten er deze zomer nog beslissingen worden genomen. Erg verrassend is het dus niet dat niemand bij Alitalia op dit moment bereid is een interview te geven over de toekomst van de luchtvaartmaatschappij. Een verzoek daartoe werd snel en correct van de hand gewezen: „De thema’s waarover u wilt praten zijn van absoluut groot belang en zouden enkel kunnen worden behandeld door onze president/gedelegeerd bestuurder Ing. Cimoli. In deze fase echter geeft Ing. Cimoli geen interviews.”

De terugweg van Malta naar Rome verloopt een stuk minder problematisch. Ongevraagd krijg ik een business class-stoel.

Een Italiaanse zakenman naast me wordt aangesproken door de uiterst vriendelijke stewardess. „U heeft een vetarm menu besteld”, zegt ze. De zakenman weet van niets, maar accepteert het.

Even later komt de stewardess het menu weer ophalen. Een andere klant wil vetarm eten. Weer een minuut later komt de vetarme schotel toch weer op het tafeltje van de zakenman. Omdat er ook nog een lekker vet menu over is, krijgt hij dat er gratis bij. Als dat geen service meer is.

Bas Mesters