Adriaan de Groot, 1914-2006

Bij De Groot op de vakgroep was schaken alles, weet Hans Ree

Het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam moet in het begin van de jaren zestig een leuk schaakhol zijn geweest. Johan Barendregt, hoogleraar persoonlijksheidsleer, was internationaal meester. Adriaan de Groot, hoogleraar methodologie, was officieel geen meester, maar in de tijd rond 1940, toen hij aan internationale wedstrijden meedeed, had hij wel die kracht. En dan waren er ook nog de studenten Kick Langeweg, Fedde van Wijngaarden, Tim Krabbé en Piet van der Weide, een meester en een paar bijna-meesters. Piet zei dat het psychologenkampioenschap hoger moest worden aangeslagen dan het officiële kampioenschap van Amsterdam, en dat was misschien waar.

Later vroeg Johan Barendregt me eens voorzichtig of ik geen zin had in een baantje op dat Lab, iets met statistiek of methodologie of zo. Dat ik daar weinig van wist gaf niet, dat zou ik wel leren. Waar het hem om ging was dat hij met me zou kunnen schaken. Dat was Johan, die altijd deed alsof hij in de eerste plaats een gemankeerde schaker was die zijn hoogleraarschap er bij moest doen om geld te verdienen, zoals Spinoza brillenglazen sleep.

Adriaan de Groot, die zondag op 91-jarige leeftijd overleed, was niet zo. Hij schaakte ongeveer tien jaar op internationaal niveau, maar daarna hield hij er rigoreus mee op. Hij speelde nog wel vluggertjes met vrienden en onderhield schaaktechnische briefwisselingen, maar aan serieuze wedstrijden deed hij niet meer mee.

In de internationale schaakwereld is De Groot vooral bekend door de Engelse vertaling van zijn proefschrift uit 1946, Het denken van den schaker. Met de algemene implicaties voor het denken van de mens en later voor het denken van de schaakcomputer heb ik me nooit erg bezig gehouden, maar de protocollen van het denkproces van de schaker die een stelling kreeg voorgezet, vond ik erg interessant.

Vooral de protocollen van de iets minder sterke schakers, of schaaksters om eerlijk te zijn, waaraan ik dacht te zien dat je toen nog een hele carrière in het schaken kon maken zonder veel van het spel te begrijpen.

De Groot begreep het wel. Hij vertegenwoordigde Nederland op drie olympiades, München 1936, Stockholm 1937 en Buenos Aires 1939, en deed een paar keer mee aan het kampioenschap van Nederland, steeds met uitstekend resultaat.

Als psycholoog beleefde hij misschien de schrik van iemand die meer gelijk kreeg dan hem lief was. Hij had een hekel aan vaag gepraat en wilde de psychologie controleerbaar maken. Tellen en meten, geen vage intuïtieve duiding. Zo bracht hij het Nederlandse onderwijs massaal aan de tests met ‘multiple choice’ vragen en vervolgens moest hij aanzien dat daardoor ook de aard van de leerstof veranderde en dat kennis voortaan de kennis was die zich er voor leende om met zulke vragen getoetst te worden.

Hij liet me wel eens zijn publicaties over computerschaak opsturen, maar het enige boek dat ik uit zijn eigen handen ontving was iets heel anders, een Engelse vertaling van een boek dat hij in 1949 had geschreven en waaraan hij nog steeds erg gehecht was: Sint Nicolaas, patroon van liefde. Aan dat boek was geen tellen en meten te pas gekomen, wel psychoanalytische en intuïtieve duiding.

De Groot – O’Kelly de Galway, Hoogovens Beverwijk 1946

1. e4 e5 2. Pf3 Pc6 3. Lb5 Pf6 4. 0-0 Lc5 5. Pxe5 Pxe5 6. d4 c6 7. dxe5 Pxe4 8. Ld3 d5 9. Df3 Een zet die terecht geen navolging heeft gekregen. 9...Dh4 10. g3 Pg5 Zwart had met 10...Lg4 11. Df4 Dh5 12. Lxe4 dxe4 13. Dxe4 0-0-0 een sterk pionoffer kunnen brengen. 11. Dd1 Ph3+ Beter was 11...Lxf2+ 12. Txf2 Ph3+ 13. Kg2 Pxf2 14. gxh4 Pxd1 15. Le2 Pxb2 met een moeilijk eindspel. 12. Kg2 De7 13. f4 Zwarts paard staat slecht en wit heeft het heft in handen. 13...h5 14. Pc3 Met 14. e6 Lxe6 15. f5 kon wit op materiaalwinst spelen, maar hij prefereert de aanval. 14...g5 15. f5 g4 16. De2 Ld7 17. Pa4 Lb6 18. b4 0-0-0 Of 18...Dxb4 19. Pxb6 gevolgd door 20. e6 met winnende aanval voor wit. 19. Pxb6+ axb6 20. a4 The8 21. a5 bxa5 22. Lb2 Sterker was het simpele 22. Txa5, want na 22...Dxe5 23. Dxe5 Txe5 24. Lb2 zou wit een kwaliteit winnen.

22...d4 Zwarts enige kans was 22...Dxb4 23. Tfb1 c5 24. e6 Lc6 waarna wit op zetherhaling kan spelen met 25. Lc1 en een winstpoging kan doen met 25. Lf6 d4+ 26. Kf1. 23. Txa5 Nu is wits aanval onweerstaanbaar. 23...Dxb4 24. Ta8+ Kc7 25. La3 c5 Hij moet de dame geven. Wit maakt het nu snel af. 26. Lxb4 Txa8 27. e6 Lc6+ 28. Le4 cxb4 29. Lxc6 bxc6 30. De5+ Zwart gaf op.