Wanneer gaan ze nu eens met pensioen?

Over terroristen is veel bekend. Van de effectiviteit van hun bestrijding daarentegen weten we vrijwel niets. Drie nieuwe boeken belichten het nut van nieuwe wetten, infiltratie en meer geld.

Dan Berger: Outlaws of America. The Weather Underground and the politics of solidarity. Oakland: AK Press, 432 blz. €20,50.

Klaus Weinhauer e.a. (red.): Terrorismus in der Bundesrepublik. Medien, Staat und Subkulturen in den 1970er Jahren. Campus Verlag, 408 blz. €32,62.

Brigitte L. Nacos: Terrorism and counterterrorism. Understanding threats and responses in the post-9/11 world.Longman Publishers, 325 blz. €56,29.

Hoe ver mogen geheimagenten gaan? Geen license to kill, wel een license to ‘bug and burgle’ (afluisteren en inbreken). Britse agenten van MI5 en SAS voerden de afgelopen weken een sneak-and-peek operatie uit om enkele microfoons te installeren in de woning van verdachte Pakistanen. Daardoor kregen ze aanwijzingen dat deze jongeren een eigen bomfabriekje aan het opzetten waren. Maar wat te doen met deze informatie? Was het wel echt zeker? Te vroeg ingrijpen zou er toe kunnen leiden dat de verdachten onmiddellijk weer zouden worden vrijgesproken. Zenuwachtige Amerikanen drongen bij de Britten evenwel aan op onmiddellijke actie. De vraag is nu of deze arrestaties inderdaad standouden voor de rechter.

President Bush liet echter onmiddellijk weten dat ‘de plannen duidelijk maakten dat de VS in oorlog waren met islamitische fascisten’. Hij bedankte Blair vrijdag voor ‘busting the plot’. De Britten hadden het terroristische gevaar met succes afgewend. Of toch niet? John O´Connor, voormalig commandant van de Londense Metropolitan Police, zei dat de veronderstelde terroristen hun doelen gedeeltelijk hadden bereikt: ‘Airports have been disrupted. Businesses have been disrupted.’ Bovendien: hoe veilig zijn de extra maatregelen? Granaten en messen zijn dan niet meer mee te smokkelen, dit keer betrof het een vloeistof waarmee de terroristen de vliegtuigen hadden willen opblazen. ‘It’s a never-ending game of thrust and counter-thrust, you can’t ever say that anything is 100 percent safe, you can’t stop people if someone is that determined,’ aldus de Britse inlichtingenexpert Chris Pope.

Over terroristen weten we inmiddels veel. Ze zijn goed opgeleid, rond de 25 jaar, meestal mannelijk en over het algemeen ‘normaal’. Maar over de terrorismebestrijding en de effecten zijn we veel minder goed ingelicht. Drie nieuwe boeken geven inzicht in terrorismebestrijding en aan de wisselwerking tussen terroristen en de staat. De Duitse historicus Klaus Weinhauer legt in een verhelderende bundel over terrorisme in de Bondsrepubliek (in de jaren zeventig) uit dat terroristen bewust uit zijn op communicatie en interactie. Terrorisme was en is niet alleen middel om een politiek ideaal naderbij te brengen, maar ook een slag in het gezicht van de tegenstander en een boodschap aan de eigen achterban. De daad moet sympathisanten overtuigen, twijfelaars een lesje leren en nieuwe rekruten aantrekken. Radicalisering wordt erdoor aangemoedigd. Ook Frank Buijs toonde dat voor Nederland aan in de studie Strijders van eigen bodem (Boeken, 28.07.2006).

Niet alleen radicalisering zou onderzocht moeten worden, maar ook de vraag: wanneer houden ze ermee op? Hoe zit het, anders gezegd, met de ‘pensionering’, ‘omscholing’ of andersoortige ‘neutralisatie’ van terroristen? Kan de overheid daar ook zinvol aan bijdragen?

In enkele gevallen houden terroristen ermee op als ze geheel of gedeeltelijk hun doel hebben bereikt. Dat was het geval met de Algerijnse terroristen in de jaren zestig, of met de ETA. In andere gevallen verloor het ideaal aan aantrekkingskracht voor nieuwe terroristen, zoals in het geval van de Molukse jongeren.

Afwachten is evenwel geen politieke optie. Arrestatie en detentie is wel een adequate methode. Dan haalt de terrorist nog zijn pensioen. Maar terroristen van middelbare leeftijd kennen we alleen uit de Italiaanse, Duitse en Amerikaanse gevangenissen, waar een aantal van hen de laatste tijd driftig memoires heeft zitten schrijven. Dan Berger interviewde voor Outlaws of America een aantal leden van de Weather Underground, de linkse terroristische organisatie die tussen 1970 en 1981 veel bomaanslagen pleegde. Deze terroristen zijn er mee opgehouden, omdat ze werden opgepakt. Bergers boek is gebaseerd op veel nieuw materiaal en daardoor een rijke bron van informatie over revolutionair terrorisme. Het is echter ook behept met een dosis sympathie voor de terroristen, wat zich uit in een poging om hun idealen van hun middelen te scheiden. Dat levert een spannend verhaal op, waarbij de auteur zich laat meeslepen door zijn onderzoeksobject en waarbij de lezer bijna de indruk krijgt dat hij de linkse terroristen wel had willen laten winnen.

Terroristen houden er ook mee op wanneer ze zichzelf hebben opgeblazen. Maar dan is het te laat. Daarom moeten terroristische daden ook verhinderd worden. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Hoe spoor je namelijk aanstaande terroristen op en hoe krijg je ze achter de tralies? Juist de zogenaamde Vorfeldkriminalisierung – het strafbaar stellen van plannen, ondersteuning of lidmaatschap van een terroristisch netwerk – bezorgt de rechtelijke en wetgevende macht zoveel kopzorgen en leidt tot heftige debatten.

De aandacht voor (preventieve) terrorismebestrijding is ook in Nederland sterk gegroeid. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb), de CT-infobox bij de AIVD (de mogelijkheid om via de AIVD de bij terrorismebestrijding betrokken organisaties sneller aan elkaars informatie te helpen), de wet op terroristische misdrijven en het wetsvoorstel bestuurlijke maatregelen zijn allemaal in een krappe twee jaar op poten gezet.

Die maatschappelijke aandacht voor terrorismebestrijding is opmerkelijk. In de jaren zeventig vielen ruim tien keer zoveel doden door terroristische aanslagen in Nederland (door Molukse jongeren en de RAF). Oud-BVD’er Frits Hoekstra onthulde in zijn memoires In dienst van de BVD dat er nog veel meer complotten, zoals kidnapping van leden van het Koninklijk Huis, waren verijdeld. Maar de gemoederen raakten lang niet zo verhit. Het beleid van de kabinetten-Biesheuvel, Den Uyl, en Van Agt, en van de BVD bleef er evenwel op gericht escalaties te vermijden en zo lang mogelijk te onderhandelen. Men zette vertegenwoordigers van de achterban van terroristen (in casu de Molukse gemeenschap) in. Het label ‘terrorist’ gebruikte men pas toen er sprake was van dodelijk geweld met een maatschappelijk ontwrichtend effect. Tot die grens hanteerde de BVD het etiket ‘politiek gewelddadig activisme’, dat vooral op de extreem-linkse groeperingen Rode Jeugd/Rode Hulp en RaRa werd geplakt. De regering stelde in 1973 dat bestrijding ‘het open karakter van onze samenleving’ geen schade berokkend mocht worden.

De consensus rond deze ‘Dutch approach’, die omstreeks 1975 internationale bekendheid verwierf, zou nog jaren standhouden. Aanslagen van de IRA, de ETA en Rara (op het huis van staatssecretaris Kosto in 1991) en andere groepen hielden aan tot in de late jaren tachtig. Maar een maatschappelijke roep om vergelding, hardere wetten en een repressieve aanpak werd niet gehoord.

Dat is nu wel anders. Het NCTb liet na de moord op Theo van Gogh uitzoeken hoeveel burgers bang waren voor terroristische aanslagen. In 2005 bedroeg het percentage 55 procent, een toename van 25 procent vergeleken met het jaar daarvóór. Die angst dringt door tot het politieke debat en drukt er zijn stempel op. Dat leidt tot een grote druk op de overheid en op de security community om actie te ondernemen. Buro Jansen & Jansen documenteerde die politieke roep om meer maatregelen in hun studie Onder druk en plaatst er zo zijn vraagtekens bij.

Wat bij al dit politieke geweld opvalt is de stilte over de vraag naar de precieze bedoeling en de effectiviteit van al die maatregelen. Opmerkelijk genoeg wordt bij alle pleidooien voor nieuwe wetten, maatregelen, organisaties en geldstromen niet aan de orde gesteld waarom we voor deze maatregelen kiezen en hoe we de opbrengst ervan meten. Verschillende landen kiezen voor de meest uiteenlopende benaderingen. De Verenigde Staten voeren een ‘War on Terror’, gericht op het uitschakelen van de bron van al het terrorisme in ‘rogue states’ als Afghanistan en Irak enerzijds, en een enorme uitbreiding van opsporingsbevoegdheden voor FBI, politie en leger anderzijds.

In het recente handboek over Terrorism and counterterrorism van de Amerikaanse politicoloog Brigitte L. Nacos begint het hoofdstuk over de ‘antwoorden’ op terrorisme dan ook meteen met de inzet van militaire middelen. Dat soort middelen hebben echter weinig zin bij bestrijding van de nieuwe dreiging van ‘home grown’ terrorisme, dat voor de moord op Van Gogh en de aanslagen in Engeland tekende. Nacos’ ‘academische handboek’ biedt daarmee een eenzijdige beschrijving én verdediging van de Amerikaanse War on Terror, hoewel ze niet veel materiaal over de effecten ervan weet aan te dragen.

Nationale tradities zijn bepalend voor de manier van terrorismebestrijding. De bundel van Weinhauer toont dat ook voor de Bondsrepubliek duidelijk aan, waar meer wetgeving en controle het beleid bepaalde. Weinhauer bepleit dan ook een historische, integrale benadering. Studies naar motieven van individuele terroristen, naar sociaal-psychologische processen van radicalisering of naar de aard van het ‘terroristisch kwaad’ zijn uiteindelijk te eenzijdig. Ze laten de kloof bestaan tussen een beschrijving van structuren die als voorwaarde voor radicalisering kunnen dienen (root causes), en keuzes van individuen (alleen of in groepsverband) om daadwerkelijk een bom in elkaar te knutselen. Een integrale Sozial- und Kulturgeschichte van terrorisme én contraterrorisme, zoals Weinhauer die bepleit, slaagt er wel in die kloof te dichten.

De interactie met het optreden van de staat zou dus verder onderzocht moeten worden. Over de legaliteit en proportionaliteit van terrorismebestrijding wordt op regeringsniveau en door publicisten inmiddels veel nagedacht. Maar over effectiviteit heeft vrijwel niemand het. Een Amerikaans overzicht uit 2002 laat op basis van empirisch materiaal zien dat terrorismebestrijding niet zoveel uithaalt. Zo blijkt dat de verhoging van veiligheidsmaatregelen op luchthavens in de jaren zeventig tot een halvering van het aantal vliegtuigkapingen leidde. Maar terroristen verplaatsten hun activiteiten daarna gewoon. Autobommen werden populair en na 9/11 kozen terroristen in Madrid voor de trein. Met het oog op de recente verijdeling van een terroristisch complot in Londen en de verscherping van de veiligheidsmaatregelen op luchthavens aldaar, is dit een tamelijk ongemakkelijke vaststelling. ‘Er bestaat geen magic box die alle dreigingen kan opsporen’, aldus een Britse directeur van een firma in veiligheidstechnologie. Wie had gedacht dat moedermelk ooit een gevaar zou kunnen vormen vanwege de nitroglycerine die je er door kunt mengen?

Andere maatregelen, zoals nieuwe wetgeving, hebben eveneens geen duidelijk meetbaar effect. Betere opsporingstechnieken (zoals de invoering van gecomputeriseerde databestanden in Duitsland in de jaren zeventig) en een scherpere wetgeving hebben geleid tot meer arrestaties, maar de gevolgen op de middellange termijn zijn lastiger te overzien, zoals Weinhauer aantoont. Familieleden, vrienden of sympathisanten nemen vaak de lege plek in van de gearresteerde terrorist. De ‘lik-op-stuk’-aanpak en de verscherpte wetgeving kunnen ook een solidariteitscampagne op gang brengen, zoals de advocaten van de RAF die op poten zetten. Daarnaast hebben maatregelen tegen het propageren van geweld (zoals de apologie- en ‘Berufsverbote’ in Duitsland) tot verstikking van het interne debat geleid, zoals de historicus Jacco Pekelder al eens in deze krant heeft beschreven. Daardoor verstomde alle interne kritiek op de terroristen. Bovendien ‘duwde’ de strafbaarstelling van minder ernstige vergrijpen veel activisten de illegaliteit in.

Om terrorisme effectief te kunnen bestrijden is dus meer nodig dan veel geld, nieuwe wetten en een alerteringssysteem. In de genoemde publicaties van Berger en Weinhauer schemert tussen de regels door dat het succes van contraterrorisme afhangt van de afstand tussen terroristen en hun Umwelt. Terroristen kunnen niet zonder logistieke en financiële steun en moeten er bovendien op kunnen rekenen dat ze door bekenden niet verraden worden. Daar vindt preventief contraterrorisme een aangrijpingspunt.

Steun vanuit de samenleving, ook vanuit de gemeenschappen waaruit de terroristen voortkomen, voor het ct-beleid van de overheid is cruciaal. Dat bleek ook vorige week. Een medewerker van de Britse inlichtingendienst vertelde CNN dat de eerste aanwijzingen over een complot om vliegtuigen boven de Atlantische Oceaan op te blazen via een ‘tip vanuit de moslimgemeenschap’ kwamen. De tipgever was zich ‘na de aanslagen van 7 juli 2005 in Londen zorgen gaan maken’ over de activiteiten van een kennis.

De overheid moet dus trachten bruggen te slaan naar de kring van potentiële rekruten en kennissen van terroristen. De ‘echte’ terroristen hebben al een grens overschreden, de potentiële terroristen nog niet. Dat zijn vaak de sympathisanten of de achterban van de reeds actieve terroristen. Die moeten op de een of andere manier, bijvoorbeeld via gerespecteerde leiders binnen hun gemeenschap, bij dat beleid betrokken worden. Ook de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid gaf een aanzet in die richting, met het rapport Dynamiek in islamitisch activisme.

De Nederlandse inzet van terrorismebestrijding, is gezien de rapporten van AIVD en NCTb ook gericht op het voorkomen van verdere radicalisering en op het betrekken van etnische minderheden bij dat beleid. Daarmee proberen deze organisaties aan te sluiten bij de deëscalerende ‘brede benadering’ en de coöptatie van ‘leiders uit eigen kring’ van de jaren zeventig. Ook in Groot-Brittannië lijkt men die aanpak te hanteren. Bij de verijdeling van de aanslagen in Londen vorige week waarschuwden de Britse autoriteiten de geestelijke leiders binnen islamitische kringen een uur van te voren over de op handen zijnde arrestaties. Op die wijze hoefden ze het niet van journalisten te horen en konden ze zich voorbereiden.

Terroristische aanslagen kunnen uiteindelijk niet voor honderd procent voorkomen worden. In plaats van angst te kanaliseren, zouden politici kunnen duidelijk maken dat de Risikogesellschaft (Ulrich Beck) met dit soort verschijnselen moet leren leven. Een medewerker van Whitehall verklaarde vorige week dat ‘dit complot er één uit een dozijn was’. Berger, Weinhauer, en ook Nacos laten zien dat de staat uiteindelijk de toon van het beleid bepaalt. Daarmee hebben de autoriteiten dan wellicht niet de aanslagen, maar wel de effecten ervan zelf in de hand. Dat hoeft de burger geen moed te geven, maar is een oproep tot nuchterheid, matigende reacties en afgewogen kosten-baten-analyses voor betrokken bewindslieden.