Wanneer gaan ze met pensioen?

We weten weinig van het effect van terrorisme-bestrijding.

Hebben nieuwe wetten en infiltratie wel zin?

Hoe ver mogen geheim agenten gaan? Geen license to kill, wel een license to ‘bug and burgle’ (afluisteren en inbreken). Britse agenten van MI5 en SAS voerden de afgelopen weken een sneak-and-peek operatie uit om microfoons te installeren in de woning van verdachte Pakistanen. Daardoor kregen ze aanwijzingen dat deze jongeren een eigen bomfabriekje aan het opzetten waren. Maar wat te doen met deze informatie? Te vroeg ingrijpen zou er toe kunnen leiden dat de verdachten meteen weer zouden worden vrijgesproken. Zenuwachtige Amerikanen drongen bij de Britten evenwel aan op onmiddellijke actie. De vraag is nu of de arrestaties inderdaad stand houden voor de rechter.

President Bush liet direct weten dat ‘de plannen duidelijk maakten dat de VS in oorlog waren met Islamitische fascisten’. Hij bedankte Blair vorige week vrijdag voor ‘busting the plot’. De Britten hadden het terroristische gevaar met succes afgewend. Of toch niet? John O’Connor, voormalig commandant van de Londense Metropolitan Police, zei dat de veronderstelde terroristen hun doelen gedeeltelijk hadden bereikt: ‘Airports have been disrupted. Businesses have been disrupted.’ Bovendien: hoe veilig zijn de extra maatregelen? Granaten en messen zijn dan niet meer mee te smokkelen, dit keer betrof het een vloeistof waarmee de terroristen de vliegtuigen hadden willen opblazen.

Over de terroristen weten we inmiddels veel. Ze zijn goed opgeleid, rond de 25 jaar, meestal mannelijk en over het algemeen ‘normaal’. Over de terrorismebestrijding en de effecten zijn we veel minder goed ingelicht. Drie nieuwe boeken geven inzicht in terrorismebestrijding en de wisselwerking tussen terroristen en de staat. De Duitse historicus Klaus Weinhauer legt in een bundel over terrorisme in West-Duitsland (in de jaren zeventig) uit dat terroristen bewust uit zijn op communicatie en interactie. Terrorisme was en is niet alleen middel om een politiek ideaal naderbij te brengen, maar ook een slag in het gezicht van de tegenstander en een boodschap aan de achterban. De daad moet sympathisanten overtuigen, twijfelaars een lesje leren en nieuwe rekruten aantrekken.

Niet alleen radicalisering zou onderzocht moeten worden, maar ook de vraag: wanneer houden ze ermee op? Hoe zit het met de de ‘pensionering’, ‘omscholing’ of andersoortige ‘neutralisatie’ van terroristen? Kan de overheid daar ook zinvol aan bijdragen? Afwachten is geen politieke optie. Arrestatie en detentie is wel een adequate methode, dan haalt de terrorist nog zijn pensioen. Dan Berger interviewde voor Outlaws of America leden van de Weather Underground, de linkse terroristische organisatie die tussen 1970 en 1981 bomaanslagen pleegde. Maar dan is het antwoord ook simpel: ze zijn ermee opgehouden, omdat ze werden opgepakt.

Terroristen stoppen ook wanneer ze zichzelf hebben opgeblazen. Dan is het te laat. Daarom moeten terroristische daden ook verhinderd worden. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Hoe spoor je aanstaande terroristen op en hoe krijg je ze achter de tralies? Juist de zogenaamde Vorfeldkriminalisierung – het strafbaar stellen van plannen of lidmaatschap van een terroristisch netwerk – bezorgt de rechtelijke en wetgevende macht veel kopzorgen en leidt tot heftige debatten.

De maatschappelijke aandacht voor terrorismebestrijding is opmerkelijk. In de jaren zeventig vielen ruim tien keer zoveel doden door terroristische aanslagen in Nederland (door Molukse jongeren en de RAF). Maar de gemoederen raakten lang niet zo verhit. Het beleid van de kabinetten Biesheuvel, Den Uyl, en Van Agt, en van de BVD (binnenlandse veiligheidsdienst, nu AIVD geheten) bleef er op gericht escalaties te vermijden en zo lang mogelijk te onderhandelen. Men zette vertegenwoordigers van de achterban van terroristen in. Het label ‘terrorist’ gebruikte men toen er sprake was van dodelijk geweld met een maatschappelijk ontwrichtend effect. De regering stelde in 1973 dat bestrijding ‘het open karakter van onze samenleving’ geen schade berokkend mocht worden. De consensus rond deze Dutch approach, die omstreeks 1975 internationale bekendheid verwierf, hield nog jaren stand. Aanslagen van bijvoorbeeld de IRA of de ETA hielden aan tot in de jaren tachtig. Maar een maatschappelijke roep om vergelding, hardere wetten en een repressieve aanpak werd niet gehoord.

Dat is nu wel anders. Het NCTb (nationaal centrum voor terrorismebestrijding) liet na de moord op Theo van Gogh uitzoeken hoeveel burgers bang waren voor terroristische aanslagen. In 2005 was dit 55 procent van de bevolking, een toename van 25 procent vergeleken met het jaar daarvóór. Die angst dringt door tot het politieke debat en drukt er zijn stempel op. Dat leidt tot grote druk op de overheid en de security community om in actie te komen.

Wat bij al dit politieke geweld opvalt, is de stilte over de vraag naar de precieze bedoeling en de effectiviteit van al die maatregelen. Bij alle pleidooien voor nieuwe wetten, organisaties en geldstromen niet aan de orde gesteld waarom we voor deze maatregelen kiezen en hoe we de opbrengst ervan meten. Verschillende landen kiezen voor de meest uiteenlopende benaderingen. De Verenigde Staten voeren een ‘War on Terror’, gericht op het uitschakelen van de bron van al het terrorisme in ‘rogue states’ en een enorme uitbreiding van opsporingsbevoegdheden voor FBI, politie en leger anderzijds.

In Terrorism and counterterrorism van de Amerikaanse politicoloog Brigitte Nacos begint het hoofdstuk over de ‘antwoorden’ op terrorisme met de inzet van militaire middelen. Maar die hebben weinig zin bij bestrijding van de nieuwe dreiging van home grown terrorisme, dat voor de moord op Van Gogh en de aanslagen in Engeland tekende.

Nationale tradities zijn bepalend voor de manier van terrorismebestrijding. De bundel van Weinhauer toont dat ook voor West-Duitsland duidelijk aan, waar meer wetgeving en controle het beleid bepaalde. Weinhauer bepleit dan ook een historische, integrale benadering. Studies naar motieven van terroristen, naar sociaal-psychologische processen van radicalisering of naar de aard van het ‘terroristisch kwaad’ zijn volgens hem te eenzijdig. Een integrale Sozial- und Kulturgeschichte van terrorisme én contraterrorisme kan die kloof dichten.

De interactie met het optreden van de staat zou dus verder onderzocht moeten worden. Over de legaliteit en proportionaliteit van terrorismebestrijding wordt op regeringsniveau en door publicisten inmiddels veel nagedacht. Maar over effectiviteit heeft vrijwel niemand het. Een Amerikaans overzicht uit 2002 laat op basis van empirisch materiaal zien dat terrorismebestrijding niet zoveel uithaalt. Zo blijkt dat de verhoging van veiligheidsmaatregelen op luchthavens in de jaren zeventig tot een halvering van het aantal vliegtuigkapingen leidde. Maar terroristen verplaatsten gewoon hun activiteiten. Autobommen werden populair en na 9/11 kozen terroristen in Madrid voor de trein. Met het oog op de recente verijdeling van een terroristische complot in Londen en de verscherping van de veiligheidsmaatregelen op luchthavens aldaar, is dit een tamelijk ongemakkelijke vaststelling.

Andere maatregelen, zoals nieuwe wetgeving, hebben eveneens geen duidelijk meetbaar effect. Betere opsporingstechnieken en een scherpere wetgeving hebben geleid tot meer arrestaties, maar de gevolgen op de middellange termijn zijn lastiger te overzien. Daarnaast hebben maatregelen tegen het propageren van geweld tot verstikking van het interne debat geleid. Daardoor verstomde alle interne kritiek op de terroristen. Bovendien ‘duwde’ de strafbaarstelling van minder ernstige vergrijpen veel activisten de illegaliteit in.

Om terrorisme effectief te kunnen bestrijden is meer nodig dan geld, nieuwe wetten en een alerteringssysteem. In de publicaties van Berger en Weinhauer schemert tussen de regels door dat het succes van contraterrorisme afhangt van de afstand tussen terroristen en hun omgeving. Terroristen kunnen niet zonder logistieke en financiële steun en moeten er bovendien op kunnen rekenen dat ze door bekenden niet verraden worden. Daar vindt preventief contraterrorisme een aangrijpingspunt.

Steun vanuit de samenleving, ook vanuit de gemeenschappen waaruit de terroristen voortkomen, voor het ct-beleid van de overheid is cruciaal. Dat bleek ook vorige week. Iemand van de Britse inlichtingendienst vertelde CNN dat de eerste aanwijzingen over een complot om vliegtuigen boven de Atlantische Oceaan op te blazen via een ‘tip vanuit de moslimgemeenschap’ kwamen. De tipgever was zich ‘na de aanslagen van 7 juli 2005 in Londen zorgen gaan maken’ over de activiteiten van een kennis.

De overheid moet dus trachten bruggen te slaan naar de kring van potentiële rekruten en kennissen van terroristen. De ‘echte’ terroristen hebben al een grens overschreden, de potentiële terroristen nog niet. Terroristische aanslagen kunnen niet voor 100 procent voorkomen worden. In plaats van angst te kanaliseren, zouden politici duidelijk kunnen maken dat de Risikogesellschaft met deze verschijnselen moet leren leven. Een medewerker van Whitehall verklaarde vorige week dat ‘dit complot er één uit een dozijn was’. Berger, Weinhauer, en ook Nacos laten zien dat de staat uiteindelijk de toon van het beleid bepaalt. Daarmee hebben de autoriteiten dan wellicht niet de aanslagen, maar wel de effecten ervan zelf in de hand. Dat hoeft de burger geen moed te geven, maar is een oproep tot nuchterheid, matigende reacties en een afgewogen kosten-baten-analyses voor betrokken bewindslieden.

Dan Berger: Outlaws of America. The Weather Underground and the politics of solidarity. AK Press, 432 blz, $ 13,60. Klaus Weinhauer e.a. (red.): Terrorismus in der Bundes-republik. Medien, Staat und Subkulturen in den 1970er Jahren. Campus Verlag, 408 blz. €32,62Brigitte L. Nacos: Terrorism and counterterrorism. Understanding threats and responses in the post-9/11 world. Longman Publishers, 325 blz. $ 46,70

Historica Beatrice de Graaf schreef een proefschrift over de contacten van de Nederlandse kerken en vredesbeweging met de DDR-oppositie, voor de val van de Muur.