Tieren tegen de Bush- ‘junta’

In het Amerikaanse media-landschap overheersen loyaliteit en dociliteit. De luizen in de pels zijn uitgeweken naar het internet.

Greg Palast: Armed Madhouse. Penguin, 347 blz. € 35,–.

Eliot Weinberger: What happened here. Bush Chronicles. Verso, 224 blz. € 15,50.

De edele traditie van de Amerikaanse muckrakers is niet dood, hij is springlevend. Dat is het goede nieuws. Het slechte nieuws is dat het werk van deze mensen naar de marges van de Amerikaanse journalistiek is gedrongen, en soms zelfs naar het buitenland moet uitwijken om gedrukt of uitgezonden te worden. Nog steeds mag je in Amerika zo controversieel schrijven als je wilt, het wordt alleen verdomd lastig het ook onder de aandacht van de Amerikanen te krijgen.

Muckrakers, dat waren mensen als Upton Sinclair, Ida Tarbell en Lincoln Steffens, actief in het begin van de vorige eeuw, toen zij tal van schandalen binnen de overheid en het zakenleven aan de orde stelden, en vaak met hun publicaties ook werkelijk invloed hadden. Zij kregen degelijke volgelingen in het duo Woodward & Bernstein (Watergate), Seymour Hersh (My Lai) en I.F. Stone (Tonkin Golf). Maar tijdens het bewind van Ronald Reagan werd dit soort onderzoeksjournalistiek veel minder effectief, terwijl er toch aan schandalen geen gebrek was (denk aan de Iran-Contra affaire). Niet voor niets was Reagans bijnaam ‘de Tefal-President.’

Nu we over enkele maanden het zevende jaar van het cynische bewind van George W. Bush ingaan moeten we concluderen dat ook in deze jaren de pers merkwaardig ineffectief is gebleken in het aan de kaak stellen van wat er mis is: de opeenstapeling van leugens waarop de inval in Irak was gebaseerd, het wanbeheer na de orkaan Katrina, het verlenen van miljardencontracten aan firma’s waarmee politici en donoren nauw verbonden zijn. Schandalen als deze schijnen alleen in New York (in de daar uitgegeven New Yorker, de New York Review of Books, incidenteel de The New York Times en in een niet aflatende stroom kritische boeken) de journalisten aan het werk te houden.

Maar de ‘Bush-junta’, zoals de regering door de beide hier behandelde auteurs wordt genoemd, hoeft zich hierdoor niet werkelijk bedreigd te voelen. In de rest van het media-landschap overheersen loyaliteit en dociliteit, gevoed door een verkeerde interpretatie van het begrip vaderlandsliefde en het besef dat een Republikeins bewind altijd in het voordeel is van de zakenwereld, en dus ook van de eigenaren van de media.

Maar gelukkig is er nu het internet. Al twee dagen na de herverkiezing van George W. Bush in november 2004 (beide auteurs gebruiken het woord ‘coup’ omdat ze de geldigheid van zowel zijn ‘verkiezing’ als zijn ‘herverkiezing’ heftig bestrijden) publiceerde Greg Palast op de website www.TomPaine.com een met koele argumenten omkleed bericht onder de kop ‘Kerry Won’. Het werd door andere websites, de moderne samizdat van Amerika, overgenomen en zag er vooral overtuigend uit voor degenen die de hele nacht de uitkomsten en exit-polls hadden bekeken. De hele avond lag Kerry voor in de sleutelstaat Ohio, maar toen de stemmen geteld waren bleek hij overtuigend te hebben verloren.

Exit polls hebben het bijna nooit bij het verkeerde eind, zoals Clintons voormalige adviseur Dick Morris op CNN verklaarde. Hoe kunnen de peilers zich dit keer dan zo hebben vergist? Dat hebben ze ook niet, legt Palast uit, want Kerry kreeg meer stemmen in Ohio dan Bush en had daarmee de verkiezing gewonnen. Maar, citeert hij Stalin, ‘het zijn niet de mensen die stemmen die tellen, het zijn de mensen die de stemmen tellen.’

In zijn nieuwe boek Armed Madhouse, het vervolg op The best democracy money can buy, gaat Palast uitgebreid in op de onregelmatigheden in Ohio, en hoewel er weinig nieuws in staat voor wie de internet-samizdat heeft gevolgd, is de opeenstapeling van feiten angstaanjagend: als zelfs maar de helft van zijn berekeningen aangaande ‘spoiled’ en ongetelde kiesbiljetten, falende stemmachines in zwarte kiesdistricten enzovoort waar is, dan zou Kerry nu in het Witte Huis moeten zitten. Maar geen enkele van de grote media nam zijn speurwerk over; The New York Times was alleen geïnteresseerd in de vraag of Palast zich een slechte verliezer voelde (waarop hij in dit boek ook een antwoord geeft: ‘Nee. Het kan me geen bal schelen welke rijke blanke jongen de wedstrijd heeft gewonnen.’)

Palast, een Amerikaans journalist die hoofdzakelijk voor Britse media als de BBC, The Guardian en The Observer werkt, rakelt nog veel meer op in Armed Madhouse. De mislukte jacht op Osama bin Laden, de al evenzeer mislukte coup tegen Hugo Chávez, de manipulatie van de olieprijs met gebruikmaking van de theorie van Hubberts-peak, de curve die de eindigheid van de olievoorraden aangeeft. Vooral bij dat laatste onderwerp overtuigt hij niet, omdat hij nergens in zijn argumentatie rekening houdt met de immense stijging van de vraag sinds Hubbert zijn eerste voorspellingen publiceerde.

Greg Palast is de Michael Moore van het geschreven woord, een gedreven journalist die het lezen meer dan waard is, maar wiens betoog meer invloed zou hebben als hij meer openheid gaf over zijn bronnen en vooral: als hij niet zo chaotisch schreef. ‘Ik heb de consistentie en continuïteit geëlimineerd die ik zo veracht in andere boeken’, schrijft hij veelbetekenend in het voorwoord.

Eliot Weinberger is net zo Amerikaans als Greg Palast, maar ook hij publiceerde de essays die in dit boek zijn verzameld hoofdzakelijk buiten de VS, in bladen in dozijnen landen, waarna de artikelen weer hun weg vonden via het internet. Weinberger is een heel ander soort publicist dan Palast. Hij werkt al helemaal niet met researchteams en bronnenapparaten, en is in eerste instantie dichter en vertaler van onder anderen Jorge Luis Borges en Octavio Paz. Maar er is genoeg overeenkomst: zowel Palast als Weinberger zijn de fase van het geduldig argumenteren, de schijn van objectiviteit, al lang gepasseerd. Wat kun je doen onder de huidige omstandigheden, vragen ze de lezer impliciet, anders dan tieren en schuimbekken, de een in wat meer geserreerde taal dan de ander? Of zonder commentaar uitvergroten, zoals Weinberger doet in de vorm van objets trouvés, uitspraken van Republikeinse politici, religieuze leiders en leden van de ‘junta’, die hij als proza-gedichten presenteert. Een van de meest tot nadenken stemmende uitspraken van George W. Bush heeft hij dan al eerder gelanceerd: ‘Wij zullen dood en geweld exporteren naar alle hoeken van de wereld bij de verdediging van onze grote natie.’ ‘Dit heeft hij echt gezegd,’ voegt Weinberger er onthutst aan toe, alsof hij het zelf bijna niet kan geloven.

Evenals Palast bouwt Weinberger zijn boek chronologisch op, en de eerste hoofdstukken, zijn gefaseerde reacties op de aanslagen op het World Trade Center in New York, zijn misschien wel de beste delen. In mooi proza, tastend naar de stem van de rede, overziet hij de gevolgen van deze gebeurtenis en de reacties van het regime, dat de aanslagen al meteen, in de woorden van Condoleezza Rice (‘een van de meest angstaanjagende mensen in de Bush-regering’) als een ‘geweldige mogelijkheid’ zag. Mogelijkheid tot wat? Het uitschakelen van Irak, dat al vanaf de eerste weken van de regeerperiode op de agenda stond.

Eliot Weinberger is een bewonderaar van Europa en hij hoopt op een toekomst waarin Europa een actieve tegenkracht zal zijn tegen het Amerika dat de oorzaak is van ‘oorlogen, burgerlijke onrust, economische uitbuiting en milieu-catastrofes.’ Er is nog een lange weg te gaan voor de ideeën van sociale rechtvaardigheid en welzijn, ontwapening, vrijheid van meningsuiting en cultuur als een bron van nationale trots universeel zullen zijn, zo schrijft hij. ‘Maar de enige plek met de rijkdom en de technologie waar deze weg een begin heeft is een verenigd, multi-etnisch Europa.’ Waarmee hij zich, zelfs in de verwerping van zijn eigen land, de optimist toont die een Amerikaan hoort te zijn.