Schuldige sigarettenmakers winnen

De sigarettenindustrie in de VS spande decennialang samen en stelde haar financiële belangen boven „het lijden” van rokers. Toch doet de strafmaat armoedig aan. „Helaas”, zegt de rechter.

Ook al hebben ze verloren, concludeert een door Amerikaanse media geciteerde analist, „ze hebben gewonnen. De tabaksfabrikanten hebben gezegevierd.”

De Amerikaanse tabaksindustrie werd gisteren veroordeeld door een federale rechter wegens een waslijst aan overtredingen: het decennialang voorliegen van consumenten. Het stelselmatig samenspannen met als doel verwarring te zaaien over gezondheidsrisico’s. Het verzwijgen van onderzoeksresultaten. Het vernietigen van compromitterende documenten. Het manipuleren van het nicotineniveau in sigaretten om de verslavende werking te optimaliseren.

En dat alles, „met weinig of geen respect voor ziektes en lijden van individuen, stijgende ziektekosten of de integriteit van het juridische systeem”, zo vonniste Gladys Kessler. Wel met één oogmerk: de financiële successen van de ondernemingen zelf.

Harde woorden. En toch volgden er in deze nu al zeven jaar lopende rechtszaak tegen grote concerns als Philip Morris USA (Marlboro), British American Tobacco (Lucky Strike) en RJ Reynolds (Camel) geen boetes. De concerns moeten in advertenties in kranten, op tv en op de radio hun ongelijk toegeven en uitweiden over de gezondheidsrisico’s van sigaretten. De ondernemingen moeten alle in de rechtszaak overgelegde documenten op hun websites zetten en de fabrikanten mogen niet langer verhullende termen als ‘light’ en ‘laag teergehalte’ gebruiken om de sigaretten aan de man te brengen. In de EU en dus ook in Nederland mag al sinds september 2003 de ene sigaret niet als beter of gezonder dan de andere worden aangemerkt.

Waarom die discrepantie tussen veroordeling en strafmaat? Eerst even terug naar 1998. In dat jaar schikken – op twee na – alle Amerikaanse staten met de sigarettenbranche. De ondernemingen zeggen toe 206 miljard dollar (161 miljard euro) te betalen, de gezondheidsrisico’s te openbaren en pogingen te doen kinderen voor roken te behoeden. Een jaar later klaagt het Amerikaanse ministerie van Justitie namens de federale overheid, toen nog onder leiding van president Clinton, zelf ook de sector aan. De honderden miljarden dollar aan behandelkosten voor verslaafden worden teruggeëist.

Al een jaar later besluit rechter Kessler de schadeloosstelling voor de ziektekosten af te wijzen. Wel blijkt er een andere wet te zijn waarop de aanklagers zich mochten beroepen: de Racketeer Influenced and Corrupt Organizations Act. Deze Rico-wet uit 1970 was bedoeld om de georganiseerde misdaad aan te pakken – maar volgens de aanklagers behoorden tot dat soort groeperingen nu ook de tabaksondernemingen.

In september 2004 beginnen de acht maanden van zittingen. De overheid laat wetenschappers, economen en klokkenluiders uit de tabaksindustrie getuigen. De bedrijven zetten daar andere wetenschappers, economen en bestuurders tegenover.

De aanklagers eisen ditmaal een boete van 280 miljard dollar, volgens hun berekening de opbrengsten van de rokers die voor hun 21ste verslaafd zijn geraakt.

In de proceszieke sigarettenindustrie staat een rechtszaak nooit op zich. Tegelijkertijd met de zaak bij federaal rechter Kessler loopt er begin vorig jaar ook een zaak bij een lagere rechtbank, ook in de stad Washington, het US Court of Appeals. Deze rechtbank doet uitspraak over de Rico-wet waardoor het voor de overheid onmogelijk wordt een boete te eisen. Rico’s strafmaatbepaling heeft namelijk geen terugwerkende kracht. Boetes over reeds gepleegde vergrijpen kent Rico niet. De straf mag alleen bedoeld zijn als preventie van nog niet gepleegde maar wel vergelijkbare en te verwachten misdaden.

De aanklagers worden gedwongen hun eis in de civiele zaak bij Kessler aan te passen: de tabaksfabrikanten moeten dan maar veroordeeld worden tot een bedrag van 130 miljard dollar, bedoeld voor de bekostiging van een 25 jaar durend landelijk antirookbeleid.

Ondertussen is dan ook het politieke landschap veranderd. President Clinton is geen president meer en de regering-Bush spreekt openlijk over de geringe haalbaarheid van de eigen zaak tegen de tabaksindustrie.

De post plaatsvervangend hoofdaanklager is een politieke benoeming en Congresleden vinden het vorige zomer te toevallig dat een Republikein op deze post benoemd is en zo goed als direct de eis opnieuw aangepast wordt. De 130 miljard dollar wordt verlaagd tot 10 miljard dollar. Kessler zelf suggereert dat „toegevoegde invloeden” de zaak plots hebben veranderd, maar intern onderzoek op het ministerie van Justitie pleit plaatsvervangend hoofdaanklager Robert McCallum Jr. vrij van politieke motieven.

Maar of de eis nu de honderden miljarden dollars van onder Clinton, de 280 miljard voor rokers onder de 21 die daarna volgen, de 130 miljard of de uiteindelijke 10 miljard groot is, rechter Kessler kon gisteren met haar interpretatie van de Rico-wet simpelweg geen boete opleggen. Haar vonnis is 1.653 pagina’s lang, maar ze heeft maar één woord nodig om aan te geven wat ze van deze beperking vindt. „Helaas.”