Onderklasse zal altijd werk hebben

Lager opgeleiden lopen geen risico onder de ICT-revolutie en globalisering.

Want computers kunnen geen vol terras bedienen.

In de aanloop naar de verkiezingen zullen politici ons bestoken met recepten voor meer werkgelegenheid. Sommigen houden vast aan deze diagnose van de arbeidsmarkt: technologische vooruitgang en globalisering zetten de onderkant van de arbeidsmarkt onder druk – goedkope arbeidskrachten uit landen als India, of voortschrijdende automatisering, zouden de positie van de laagstopgeleiden in gevaar brengen. Zo dreigt een groeiende klasse van kanslozen. Verschillende oplossingen worden aangedragen: om subsidies voor werkgevers om laagopgeleiden in dienst te nemen en meer meer scholing aan te bieden. Maar zo simpel ligt het niet, en wel om drie redenen:

1Uit steeds meer onderzoeken blijkt dat niet de laagopgeleiden, maar middelbaar opgeleiden het slachtoffer zijn van de ICT-revolutie en internationale concurrentie. Zij doen het routinewerk dat door een computer of Indiër kan worden overgenomen: denk aan het afhandelen van facturen.

Voor het typische handwerk, veelal verricht door laagopgeleiden, ligt dat anders: een kapper in India is misschien goedkoop, maar wat ver weg voor een knipbeurt. En een robot kan geen bus besturen of een drankje serveren in hartje Amsterdam.

2Als mensen meer verdienen, gaan ze meer taken uitbesteden aan anderen. Dan groeit de vraag naar eenvoudige dienstverlening. Toch profiteert Nederland daar weinig van, vergeleken met de VS. Hoogopgeleide Amerikanen hebben weinig vrije tijd, maar wel een hoog uurloon. Vrij nemen om een huis te schilderen is te duur, inhuren van hulp is relatief goedkoop. Ook schrikken Amerikanen niet terug om hun schoenen te laten poetsen of hun huis te laten schoonmaken. Hoogopgeleide Nederlanders hebben juist veel vrije tijd en hier is dienstverlening relatief duur; dus schildert zelfs een minister nog zijn eigen huis. Niet alleen om geld uit te sparen, maar ook vanwege een burgermoraal: wij vinden eenvoudig werk degraderend en generen ons om iemand in te huren. Maar zo geven we de kansloze onderklasse juist geen kans op werk.

3De huidige schoolverlaters zijn gemiddeld beter opgeleid dan hun ouders. Terwijl het opleidingsniveau stijgt, zijn de tekorten aan de top van de arbeidsmarkt toegenomen. Juist de schaarste en stijgende lonen aan de top – en dus niet overschotten en achterblijvende lonen aan de onderkant – verklaren waarom de loonongelijkheid in de VS en in Nederland is toegenomen in de laatste vijftien jaar. Ondertussen is de relatieve inkomenspositie van middelbaar geschoolden verslechterd.

Natuurlijk is de onderkant van de arbeidsmarkt niet zonder problemen; de werkloosheid is twee maal zo hoog als gemiddeld binnen die groep. Toch worden de problemen aan de onderkant eerder kleiner dan groter: de laagstopgeleiden kunnen wel aan werk komen, bijvoorbeeld op eerder genoemd Amsterdams terras. Het gaat juist om het middenrif van de arbeidsmarkt: dat is kwetsbaarder dan we tot dusver hebben aangenomen.

Het recept is niet om iedereen ingenieur te laten worden. De race tegen de computer en de Indiër valt niet te winnen. Maar de markt voor persoonlijke dienstverlening groeit nog wel. Dit vraagt om een andere benadering in het onderwijs, waarbij meer nadruk moet worden gelegd op aanpassingsvermogen, creativiteit en sociale vaardigheden: essentieel om werk te vinden op die dienstverlenende markt.

We moeten dan wel accepteren dat de inkomensverdeling schever kan worden. Hooggeschoolden gaan meer verdienen, de middengroep vangt de klappen op, terwijl de druk op de onderklasse mee kan vallen. Dat kan tegelijk juist een gunstig bijeffect hebben: de hogere inkomens leiden tot meer vraag naar persoonlijke diensten. We worden steeds meer een diensteneconomie, maar daar is niets mis mee. Die trend is decennia geleden ingezet en heeft ons geen windeieren gelegd.

Ernst van Koesveld en Pieter van Winden werken op het ministerie van Financiën.