Naar de haaien

Het verhaal van de Vliegende Hollander stamt uit Terneuzen. Hier, aan de kade, wordt deze zomer Wagners opera over het legendarische spookschip opgevoerd. Ook de ondergang van de Titanic inspireerde tot een grootscheeps maritiem spektakel.

De golven van de Westerschelde slaan tegen de grijze basaltkeien, de dukdalven en meerpalen. Achter de Scheldeboulevard ligt de havenplaats Terneuzen, Zeeuws-Vlaanderen. Vroeger stond in dit kleine, goed versterkte stadje een wit huis dat wordt toegeschreven aan zeeman Willem Vanderdecken, de Hollandse kapitein die als de Vliegende Hollander rusteloos over de wereldzeeën moest zwerven.

In Terneuzen is dit legendarische verhaal begonnen. Vanuit de haven wilde Vanderdecken op Paasmorgen, een vrijdag, terwijl de klokken luidden, de zeilen hijsen en koers zetten naar zee. Zijn vrouw en bemanning hielden hem tegen, maar hij sprak de godslasterende woorden: „Ik zal varen, al is het tot aan het einde der tijden.” God hield hem aan zijn belofte. Zijn spookschip met zwarte masten en bloedrode zeilen werd de schrik van de zeeman. Waar het verscheen, stortte het elk schip in het verderf. De aanblik van Vanderdeckens voortjagende boot was voldoende om ten onder te gaan. Volgens het verhaal was de kapitein de enige levende aan boord. De bemanning bestond uit dode schimmen die zwijgend de bevelen opvolgden.

Op een landtong in het Kanaal van Gent naar Terneuzen, niet ver van de Westsluis, liggen een stel robuuste, zwartgeteerde meerpalen opgestapeld. Op dit podium vlak aan de kade en op twee schepen speelt zich in het Zeeland Nazomer Festival de opera Der fliegende Holländer (1843) van Richard Wagner af. De overlevering van Terneuzen als geboortestad van Vanderdecken is zo sterk, dat de keuze voor deze locatie vanzelfsprekend is. Behalve de opera biedt het Nazomer Festival nog een maritiem spektakel. De salonboot de Hydrograaf, gebouwd in 1910 op de Rotterdamse werf Feijenoord, vervult in de voorstelling De ondergang van de Titanic door de Duitse toneelschrijver Hans Magnus Enzensberger de rol van dit onzinkbaar gewaande schip.

Operacomponist Wagner kwam op het idee voor Der fliegende Holländer tijdens een barre zeereis die hij ondernam vanuit een Russische havenplaats via Londen naar Parijs. Wagner was op de vlucht voor schuldeisers, nadat hij was ontslagen als dirigent in Riga. Onderweg, in het Skagerrak, brak een hevige storm los, zodat het schip een schuilplaats moest zoeken in een kleine vissershaven in Noorwegen. Wagner zette het verhaal over de Vliegende Hollander naar zijn hand. De vloek die op de kapitein rust kan alleen worden verbroken als hij de eeuwige liefde van een vrouw verwerft. Daartoe moet hij eens in de zeven jaar aan land gaan om een vrouw te vinden.

Met de aankomst

van het fantoomschip begint Der fliegende Holländer. In de operahuizen krijgt het zeilschip altijd een gestileerde uitbeelding. We zien een flard van een zeil, een stuk boeg en mast. Regisseur Jeroen Lopes Cardozo krijgt in Terneuzen de beschikking over twee toonbeelden van de echte maritieme vloot. Het schip van de Hollander is de bark Europa, een authentieke driemaster uit 1911 die ooit dienst deed als lichtschip aan de monding van de Elbe. Wagner noemt zijn opera ‘romantisch’. Wanneer de gedoemde kapitein aanmeert, ontwaart hij een ander schip. In Terneuzen is dit de veerboot Montis. Kapitein Daland heeft een beeldschone dochter, Senta. Zij droomt al jarenlang van een man die haar komt verlossen van het benauwde dorpsleven en met haar een hartstochtelijke toekomst tegemoet gaat.

Deze man is de Vliegende Hollander. Zijn beeltenis hangt in het huis van Daland. Uur na uur staart dochter Senta ernaar. Hiermee is de dramatische romantiek van de opera gegeven: een zwervende man, een vader en een dochter.

Zodra de Vliegende Hollander weet heeft van Senta is hij ervan overtuigd: zij zal hem verlossen van zijn noodlot.

In de uitvoering blijft de voor Senta zo verleidelijke afbeelding van de stoere en tegelijk onheilspellend-aantrekkelijke Vliegende Hollander afwezig. Daarentegen prijkt op de landtong een reusachtige lijst van vijf meter breed en drie meter hoog. Hierdoor blikt Senta over het water, waar zij de bark Europa ziet naderen. Ook de toeschouwers kijken door deze lijst naar het spookschip.

Regisseur Lopes Cardozo en dirigent Ed Spanjaard volgen de partituur van Wagner zo getrouw mogelijk. „Wat ik dirigeer, staat in de noten”, zegt Spanjaard. „De verdoemde figuur van de Hollander mag niet te snel realistisch worden, dan gaat de magie verloren. De opera is mysterieus en bezit een meeslepende, grote structuur.”

Titelzanger John Bröcheler, bas-bariton, sluit zich aan bij het gegeven dat zijn Vliegende Hollander een geheimzinnige verschijning moet zijn. Bröcheler: „Wanneer ik opkom en schipper Daland overhaal zijn dochter aan mij af te staan, gebeurt er iets wezenlijks tussen die twee mannen. Ze zijn elkaars evenknie, allebei kapitein. Zodra de Hollander weet heeft van Senta is hij ervan overtuigd dat zij de verlossende liefde van zijn leven is. Hij moet Dalland ervan overtuigen hem zijn dochter af te staan. De verliefdheid van de Vliegende Hollander moet ik, als zanger, uit mijn eigen verleden en mijn theatrale universum putten. Ik moet me inbeelden mijn eigen eerste verliefdheid opnieuw te beleven. Ik ben een lyrische bariton en zing over Senta als mijn ‘ferne Geliebte’.”

Regisseur Lopes Cardozo heeft alles om de rol van Senta heen geënsceneerd. „Mijn beginbeeld is een kleine, beklemmende dorpsgemeenschap, zoals die er in Zeeland zijn. Het eerste dat de toeschouwers zien, zijn de zangeressen van het koor. Zij liggen op de grond, gesluierd, in zwarte kledij. Een van hen staat op en kijkt smachtend door het enorme venster naar buiten, naar het water, de zee. Daarvandaan moet de zeeman komen die haar het grote geluk brengt. In het raam verschijnt de bark Europa.” Wagners romantische opera eindigt met liefdesverdriet en dood. De Vliegende Hollander koestert wantrouwen jegens Senta, ondanks haar belofte van eeuwige trouw. Per toeval vangt hij een gesprek op tussen Senta en haar vriend Erik. De Hollander kiest opnieuw voor de zee. Senta bewijst zijn liefde door van een overhangende rots te springen. Op dat ogenblik vergaat het schip van de Hollander. Voor John Bröcheler is deze laatste scène ‘als een groot liefdesgenot, een samengaan van twee lichamen’. Zo schrijft Wagner het ook voor: boven de golven, in het gloeiende licht van de zonsondergang, omhelzen de schimmen van de Senta en de kapitein elkaar. De regisseur heeft hierbij een beeld gevonden: twee vuurpijlen wil hij aan het eind afsteken die hun weg langs de hemel boven het water zee zoeken.

De vloek die

kapitein Vanderdecken treft, heeft met hovaardij te maken. Hij meent God te kunnen uitdagen. In een andere versie van de legende zwerft de kapitein rond Kaap de Goede Hoop, de levensgevaarlijke rotspunt aan de zuidkust van Afrika die hij maar niet kan ronden. Ook dan roept hij uit dat hij zal varen, al is het tot de Dag van het Laatste Oordeel. Onverbrekelijk verbonden met het beeld van de varende Hollander is dat het schip altijd de zeilen gevuld heeft met wind, zelfs wanneer alle schepen rondom te kampen hebben met windstilte of tegenwind. Zoiets wakkert de mythe aan. Er is echter ook een weerkundige verklaring: bij Kaap de Goede Hoop treffen winden elkaar uit verschillende richtingen.

Schippers die God uitdagen of op zijn minst zichzelf als goddelijk wanen, horen van oudsher bij de scheepvaart en de verovering van de zeeën. De bouw van het transatlantische cruiseschip Titanic, het hoogtepunt van technologisch vernuft aan het begin van de twintigste eeuw, is ook een soort Vliegende Hollander-daad van hoogmoed. Het schip werd ‘onzinkbaar’ geacht en ‘zelfs God de vader zou niet in staat zijn deze schuit te doen zinken’. Toch ging het schip in april 1912 op zijn eerste reis, de maiden trip, van Southampton naar New York ten onder. Oorzaak: aanvaring met een ijsberg op ongeveer vierhonderd kilometer uit de kust van Newfoundland.

Speelt de opera

van Wagner tijdens het Zeeland Festival op een vaste locatie, bij de voorstelling De ondergang van de Titanic schepen de toeschouwers zich in voor een korte reis langs de Zeeuwse eilanden. Dramaturg Alex Mallems bewerkte het gelijknamige epische gedicht van Hans Magnus Enzensberger tot een drama voor drie personages: een barman, een schrijver en een vrouwelijke ingenieur die al port drinkend de laatste reis van haar leven maakt. De regie is in handen van Stef De Paepe.

Het voormalige maritieme onderzoeksschip de Hydrograaf lijkt op de Titanic in miniatuur. De markante, zwarte boeg van de Hydrograaf steekt vijf meter boven de waterspiegel uit. Dit schip bracht tot 1964 de getijdenstromingen van de Nederlandse wateren in kaart. Het is bijgenaamd ‘het schip van de koningin’, omdat de vorstinnen Emma, Wilhelmina en Juliana in de jaren twintig en dertig de Hydrograaf gebruikten voor hun officiële bezoeken aan de Hollandse en Zeeuwse Eilanden.

Voor Enzensberger staat de Titanic symbool voor de westerse beschaving die aan hoogmoed ten onder is gegaan. De dichter geeft een fraaie rol aan de ingenieur die, terwijl het water binnenstroomt, naar de klok kijkt. De ingenieur weet precies dat het schip zal zinken nadat het vijfde compartiment ook is volgelopen. Regisseur De Paepe en de spelers hebben de verschillende films gezien over de Titanic. De Paepe: „In 1958 was er A Night to Remember waarin de ingenieur een belangrijke rol krijgt toebedeeld. In de films en televisiespelen die daarna gekomen zijn, zie je telkens die scène terug: de ingenieur die koel en wiskundig berekent wanneer het schip in de golven zal verdwijnen. Hij is de enige aan boord die weet wat er komen gaat.”

De tekst van Enzensberger is pure poëzie. Alex Mallems zegt dat de voorstelling niets met de realistisch-dramatische verfilmingen te maken heeft: „Het gaat om de taal, om de beelden die het gedicht oproept.” De slachtoffers van de Titanic verdrinken opnieuw, en vanuit het rijk van de doden kijken ze terug op de fatale gebeurtenis. In prachtige passages schrijft Enzensberger over de botsing met de ijsberg. Dat beeld heeft altijd het sterkst tot de verbeelding gesproken: hoe kan een onzinkbaar schip door een ijsberg vernietigd worden? Enzensberger: „Dat is het. Een ijzige vingernagel/ die aan de deur krabt en weer stokt./ Er scheurt iets. Een oneindige baan zeildoek,/ een sneeuwwitte strook linnen,/ die eerst langzaam,/ maar dan sneller en sneller/ en sissend in tweeën scheurt”.

De vergelijking tussen de plaatstalen, onverwoestbaar geachte romp van de Titanic met zoiets lichts en wits als een zeildoek is veelzeggend. In de opera Der fliegende Holländer scheuren de zeilen van het fantoomschip, vlak voordat het ten onder gaat in een draaikolk. Enzensberger maakt in zijn gedicht van de Titanic een zeilschip dat, net als de Vliegende Hollander, is gezonken naar de bodem van de zee. En zoals Wagners Vliegende Hollander nog altijd zijn baritonstem heeft, leven Enzensbergers slachtoffers voort, al is het onder de waterspiegel van de koude oceaan: „De overlevenden werden het niet moe/ over het overleven te fantaseren.”

Zeeland Nazomer Festival op diverse locaties in Zeeland van 29/8 t/m 9/9. Richard Wagner: ‘Der fliegende Holländer’. Regie: Jeroen Lopes Cardozo. Dirigent: Ed Spanjaard. Première: 29/8 Sluizen, Terneuzen. Hans Magnus Enzensberger: ‘De ondergang van de Titanic’. Regie: Stef De Paepe. Première: 30/8 Nieuwe Haven, Zierikzee. Inl.: www.nazomerfestival.nl; 0900-3300033.