‘Mag het ook een beetje ordinair?’

De pioniers van de oude muziek zijn main stream geworden. Het Festival Oude Muziek is ook van karakter veranderd. Het viert zijn 25ste verjaardag, met een grote barokoperaproductie. „Nederland speelt nog steeds een hoofdrol in de oude muziekwereld. Maar als gastland, niet meer als pionier.”

In de zinderende zomerstilte lijkt het centrum van Utrecht op een Italiaanse stad. Op een binnenplein lopen musici af en aan. Een bontgekleurd bord schreeuwt de passant toe: Circus Jopie. Hier, tussen de jongleerballen en de hoepels, wordt gerepeteerd voor de opera l’Ipermestra. Van Francesco Cavalli, en volslagen onbekend [zie kader]. Dirigent Mike Fentross – vooral bekend als de meest enthousiasmerende luitspeler van Nederland – heeft het zeventiende-eeuwse handschrift uit de bibliotheek van Venetië opgediept. „Dat daar opera’s van Cavalli liggen, was bekend”, zegt hij. „Maar veel musici spelen muziek pas als het handschrift bewerkt is tot een nette partituur.” Regisseur Wim Trompert: „Het is ook niet zonder risico. Wie een schat opgraaft, moet nog maar afwachten hoe bijzonder die blijkt te zijn.”

Maar voor het 25ste jubileum durfde het Festival Oude Muziek wel wat risico aan. l’Ipermestra kost meer dan de resterende festivalprogrammering bij elkaar, maar volgens dirigent Fentross is de muziek dat waard. „l’Ipermestra werd gecomponeerd voor het hof. Daarom kon Cavalli zich een vrijere componeerwijze veroorloven dan in zijn commerciële opera’s. l’Ipermestra is een compromisloos stuk. Vol ontzettend mooie momenten, maar in de structuur ook weerbarstig. Recitatief en aria gaan soms naadloos in elkaar over.”

In een muziekfestival dat de zeventiende eeuw in Italië als thema heeft, lag het voor de hand uit te pakken met een opera van Monteverdi – ook al herhaalt De Nederlandse Opera in 2007/08 haar cyclus Monteverdi-opera’s in de regie van Pierre Audi. „Dat is precies de reden dat ik dat niet wilde”, zegt festivaldirecteur Jan Van den Bossche. „Als wij een nieuwe l’Orfeo of l’Incoronazione di Poppea produceren, heeft iedereen het alleen maar over de enscenering. Dirigent Mike Fentross en ik kwamen samen uit op Cavalli, en nu zal het gaan over de muziek. Ik denk niet dat we er een risico mee nemen. Het Utrechtse publiek staat open voor veel. Een concert met muziek van onbekende Italiaanse nonnen uit de zeventiende eeuw was het eerste dat uitverkocht raakte, dit jaar.”

De jubileumeditie van het

Festival Oude Muziek komt op een moment dat de ooit scherp getrokken grenzen in het oude-muzieklandschap aan het vervagen zijn. Symfonische orkesten durven, meer dan vijf of tien jaar geleden, weer de blik te richten op componisten van voor 1800. Op Haydn en Mozart, bij voorbeeld – maar dan nog wel vaak met een specialist in de Weense klassieken op de bok. Maar ook, zij het wat minder vaak, op barokrepertoire. Dirigenten van eigen, gespecialiseerde orkesten, zoals Nikolaus Harnoncourt, Philippe Herreweghe, Paul McCreesh of Ton Koopman, leiden steeds vaker óók reguliere symfonieorkesten. Deze maand maakte Jan-Willem de Vriend, violist, oprichter en leider van het gespecialiseerde Combattimento Consort Amsterdam, bekend dat hij ook chef-dirigent wordt van het Orkest van het Oosten. Dirigent/violist Reinhard Goebel van Musica Antiqua Köln heft zijn orkest deze zomer op en gaat voortaan barokmuziek leiden bij symfonieorkesten.

De financiële en artistieke status-quo van de oude muziek in Nederland is de laatste tijd meermalen onderwerp van discussie geweest. De pioniers van toen zijn ouder geworden. Gustav Leonhardt (76) dirigeert nauwelijks nog, en richt zich vooral op klavecimbelrecitals. Het ooit baanbrekende Orkest van de Achttiende Eeuw zal ophouden te bestaan als dirigent/oprichter Frans Brüggen (71) niet meer verder kan. De tien jaar jongere Ton Koopman dreigt met zijn internationaal vermaarde Amsterdam Baroque Orchestra naar Frankrijk te verhuizen, omdat de subsidiëring daar beter geregeld is; wat deze week zelfs tot Kamervragen leidde.

Helemaal onderaan de ladder is het leeg. Een écht nieuwe generatie Nederlandse oude-muziekspecialisten is er nauwelijks. Aan de afdeling oude muziek van het Koninklijk Conservatorium studeren tweehonderd musici, onder wie slechts elf Nederlanders. Ook op het Festival Oude Muziek zijn buitenlandse ensembles in de meerderheid. In bijna alle Nederlandse ensembles die er te gast zijn spelen ook buitenlanders.

Dat is niet verbazend, vindt musicoloog Jolande van der Klis, die de geschiedenis van het festival onderzocht. Haar boek Oude Muziek in Nederland 1976-2006 verschijnt volgend voorjaar. „Vaak zijn de Nederlandse pioniers van toen docent geworden in het buitenland. In St. Petersburg zijn piepjonge musici net zo enthousiast over oude muziek als ze hier dertig jaar geleden waren. Ook in Spanje en Italië is de inhaalslag in volle gang. Oude muziek bloeide hier, nu wordt de fakkel elders overgenomen. Nederland speelt nog wel een hoofdrol in de internationale oude muziekwereld, maar steeds meer als gastland.”

Directeur Jan Van den Bossche, tevens lid van de commissie muziek van de Raad voor Cultuur: ,,De Nederlandse pioniersfunctie op het gebied van de oude muziek is verleden tijd, dat is een feit. Maar is dat erg? Er valt gewoon niet meer zoveel te pionieren. Ik ben zelf Belg, en denk meer in kwaliteit dan nationaliteit. In de orkesten van Ton Koopman en Frans Brüggen hebben altijd veel buitenlanders gespeeld. En Nederland is nog steeds een toonaangevend oude-muziekland. Wij hebben het grootste festival, internationaal vermaarde musici en een bloeiend concertleven. Dan hoor je mij niet van een crisis spreken. Een feit is wel dat de beginnende ensembles het moeilijk hebben. De concurrentie is groot en het subsidiestelsel voor kleinere clubs is hier na het opheffen van het Nederlands Impresariaat en de oprichting van het Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing troebel geregeld. Dat moet in het nieuwe kunstenplan aandacht krijgen.”

Internationaal

toonaangevend is Nederland in elk geval nog door het Festival Oude Muziek. In 1982 werd dat voor het eerst georganiseerd; een stroom initiatieven in die sector die op dat moment in Utrecht bloeiden en broeiden kwamen er in samen. In de succesformule is de afgelopen kwart eeuw weinig veranderd. De oude muziekmarkt en de veelheid aan festivalconcerten van de middag tot de late avond over grote en kleinere locaties in de hele stad, waren er vanaf het eerst uur.

Musicoloog Jolande van der Klis: „Oude muziek is main stream geworden, maar begon als een alternatieve, anti-elitaire beweging. Voor mijn eerste boek, over oude muziek in Nederland vóór 1976, heb ik de pioniersgeneratie gevraagd wat ze destijds bewoog. Daarbij speelde een streven naar eenvoud, waarachtigheid en veiligheid mee, als reactie op bedreigende mondiale ontwikkelingen als de Koude Oorlog, de atoombom. De eerste authentieke Matthäus Passion door de Groninger Bachvereniging was in 1973 een bijeenkomst van langharige types in spijkerpakken, die in de looppaden van de kerk lagen. Dat was de oude muziek-scene; het sandalenimago is echt niet uit de lucht komen vallen. Inmiddels is het publiek met het festival mee gegroeid; de hippies van toen zijn vijftigers geworden. Maar de korte broek is nog steeds een volkomen geaccepteerd kledingstuk bij het Utrechtse festivalpubliek.”

In een kwart eeuw verbreedde het festival zich van middeleeuwse en renaissance-muziek steeds verder uit naar de eigen tijd. Ook moderne instrumenten zijn inmiddels geaccepteerd – iets wat sommige festivalvrienden nog steeds tegen het zere been raakt. „De voorkeur gaat uit naar Middeleeuwen, Renaissance en Barok, daarna houdt het wel zo’n beetje op. Mozart en Brahms hoor je het hele jaar al op de radio, daar hoeven we niet voor naar Utrecht”, zegt een vaste bezoeker in het jongste nummer van het Tijdschrift Oude Muziek.

„Dat is de eeuwige discussie”, reageert Jolande van der Klis. „Waar staat het Festival Oude Muziek voor: een tijdvak of een mentaliteit? Er is gekozen voor het laatste. Alexandre Tharaud, die bevindingen over de uitvoeringspraktijk ten tijde van de achttiende-eeuwse componist Rameau vertaalt naar een moderne vleugel, kan geprogrammeerd staan naast een puristisch Pommer Consort met blaasinstrumenten uit de Renaissance. Oude muziek is geen kasplantje meer; het plantje bloeit. En dus staat de speeltuin nu open voor iedereen.”

In de repeteerzaal van

Circus Jopie staat een aantal metershoge stenen muren. De muren sluiten Ipermestra in, om te onderstrepen dat haar isolement toeneemt naarmate haar volk meer hoop op haar vestigt. „Van een naïef kind rijpt Ipermestra tot koningin”, wijst regisseur Wim Trompert. „Dat hoor je ook in de muziek”, reageert dirigent Mike Fentross. „Er ligt een wereld van verschil tussen het begin en het eind van de opera.”

Aan de zijkant van de zaal slaat Fentross de maat mee met tenor Marcel Beekman, die de rol van voedster Berenice zingt. Een roddelende wasvrouw moet zij zijn, instrueert regisseur Wim Trompert. Beekman, opgetogen maar geconcentreerd: „Mag het ook een beetje ordinair?” Trompert: „Zeker. Maar meteen daarna moet je stemming omslaan in echt medelijden.”

Wat opvalt, is de nauwe betrekking tussen muziek, tekst en toneel. Omdat regisseur, zangers en dirigent alles overleggen, kan het gewenste effect of affect ter plekkeworden bijgeslepen. Komt een scène te zwaar over? De gebaren worden ingetogener gemaakt, de muziek wordt versneld.

Alle medewerkers aan l’Ipermestra zijn jong, relatief vroeg in hun carrière – een keuze die het festival artistiek typeert. La Sfera Armoniosa van de veertiger Mike Fentross – een van de interessantste Nederlandse ensembles van de laatste tien jaar – begon als klein, in de zeventiende eeuw gespecialiseerd ensemble en groeide uit tot een flexibel orkest van maximaal zo’n twintig, op oude instrumenten spelende musici. Daarmee wil luistist/dirigent Fentross in de komende periode méér concerten met barokmuziek geven. Voor het komend kunstenplan zullen zij voor het eerst een subsidieaanvraag indienen.

Voor l’Ipermestra heeft Fentross de basso continuo-partij zelf ‘georkestreerd’; twee engelachtige barokharpen als begeleiding van de integere Ipermestra, een trombone als begeleider van de boze koning Danao.

Fentross’ perfectionisme blijkt ook uit een repeteersessie met de jonge sopraan Elena Monti, die de titelrol zingt. Eén zin nemen ze onder de loep, twintig minuten lang. Seconda prattica [zie kader] is geen sine cure. Pas als Monti de radeloosheid nabij lijkt, nadert het resultaat de onderkoeld emotionele perfectie die hier is vereist. Fentross: „Componisten als Cavalli wilden voor alles het publiek raken, met hart en ziel. Dat is dus ook mijn doel. En daartoe vraag ik extreme dingen van de musici en de zangers.”

Een grote productie als l’Ipermestra heeft het Festival Oude Muziek een tijd lang niet tot stand gebracht. Met zeven ton kan het zich in normale jaren überhaupt geen opera permitteren. „Ons budget is klein in vergelijking met het Holland Festival”, erkent directeur Jan Van den Bossche. „Maar in verhouding met specialistische oude-muziekfestivalletjes in het buitenland scoren we nog goed. Dat betekent overigens niet dat we nooit mopperen. Juist de interessante, vernieuwende concerten die je als festival wilt initiëren zijn duur, omdat de musici die programma’s later nergens meer kunnen slijten. Grote zalen nemen nu eenmaal makkelijker Bach af dan Graubner. Nederland zou als rijk land best trots mogen zijn op een toonaangevend festival en een nog altijd bloeiende oude muziek-scene in plaats van altijd voor een dubbeltje op de eerste rang te willen zitten.”

●▶Festival Oude Muziek, van 24 aug t/m 3 sept in Utrecht; www.oudemuziek.nl