Laat ons ongehoorzaam zijn

God is een menselijk bedenksel en de kruisdood is een gruwel. Guus Kuijer heeft nog wel meer bezwaren tegen een godsgeloof. Waar komen de hemel en de hel eigenlijk vandaan?

Guus Kuijer: Hoe een klein rotgodje God vermoordde. Athenaeum–Polak & Van Gennep, 167 blz. € 13,50

In Het boek van alle dingen, het jeugdboek waarmee Guus Kuijer vorig jaar een Gouden Griffel won, komt de religieuze orthodoxie er slecht af. De parallellen met Knielen op een bed violen van Jan Siebelink dringen zich onmiddellijk op. In beide boeken is sprake van een vaderfiguur die geheel in de ban is van ultra-orthodox protestantisme, een zwarte wereld van zonde en straf. Is er bij Jan Siebelink nog sprake van mededogen, bij Guus Kuijer overheerst de toon van bittere ironie. Hij schildert de vaderfiguur als een kleinburgerlijk mannetje dat zijn eigen onzekerheid probeert te onderdrukken door zijn gezin hardhandig en gewelddadig in het rechte spoor te houden.

Wat in Het boek van alle dingen nog gefilterd wordt verteld, door de ogen van de negenjarige Thomas (een naam die Kuijer niet zonder reden zal hebben gekozen), wordt in het onlangs verschenen Hoe een klein rotgodje God vermoordde expliciet aan de orde gesteld. Orthodoxe gelovigheid, van welke origine ook, is potentieel levensgevaarlijk. Kerk, moskee en ‘wereld’, aldus Kuijer, hebben elkaar hard nodig in de strijd tegen allerlei vormen van fundamentalisme. Het is niet verstandig om alles wat bijbel en koran te berde brengen op voorhand als onzin af te doen, want God is nu eenmaal realiteit voor miljoenen mensen. Maar het is zaak om met die gelovigen in gesprek te blijven. Alleen zo kunnen maatschappelijk ongewenste en gevaarlijke opvattingen ingedamd worden.

Zelf gelooft Kuijer niet (meer) in God. God is een menselijk bedenksel. Dat vindt hij geen reden om op godsdienst neer te kijken. Maar de gedachte aan een bodemloze schuld van de mens tegenover God, waarvoor een mens de marteldood aan het kruis moest ondergaan, is hem een gruwel. Hij schetst zijn afkeer van de kruisdood onder meer door middel van een denkbeeldige brief van Jezus, waarin deze zijn goddelijke Vader waarschuwt voor de misverstanden die zo’n kruisdood zal oproepen. De mensen zullen God zien als de beul van zijn stervende kind, en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Zo’n brief is een creatieve gedachteconstructie, maar als Guus Kuijer hoopt op zo’n manier met de orthodoxie in gesprek te komen, dan mist hij zijn doel. Dit soort Spielerei zal niet alleen fundamentalisten, maar ook veel ‘gewone’ gelovigen tegen de haren in strijken. Wie het gesprek wil, moet de basis voor het gesprek niet ondermijnen.

Kuijer doet intussen interessante waarnemingen over de verschillende godsbeelden in de bijbel. Zo voelt hij zich prettiger bij de God van Abraham dan bij de God van Mozes, Jezus of Mohammed. Abraham kende een vertrouwelijke omgang met God, hij durfde bij de Almachtige af te dingen, toen hem de vernietiging van Sodom werd aangezegd. Bij Mozes, Jezus en Mohammed is God echter ‘het gans andere’. Juist in dat objectiverende godsbeeld, dat collectieve rituelen oproept, ziet Kuijer het grote gevaar. Tegenover de collectieve volgzaamheid stelt hij het ideaal van de individuele ongehoorzaamheid. Het is juist dankzij de ongehoorzaamheid van de apostelen Paulus en Petrus, aldus Kuijer, dat het evangelie aan heidenen is verkondigd en niet tot de joden beperkt bleef, zoals aanvankelijk Jezus’ bedoeling moet zijn geweest.

Kuijer stelt prikkelende vragen, naar het ontstaan van begrippen als hemel en hel, naar het stoere geloof van wedergeboren christenen en de ‘mannigheid’ van moslimterrorisme. Hij spit dieper in bijbelteksten dan menig predikant ’s zondags doet. Hij heeft weet van achtergronden en doorziet samenhangen. Zijn kritiek op bijbelverhalen en koranpassages is direct en scherp. Maar het effect daarvan wordt telkens tenietgedaan door de talloze, grappig bedoelde, terzijdes. In zijn beschouwing over Abraham schrijft hij bijvoorbeeld dat je helemaal niet gelovig hoeft te zijn om God te ontmoeten. Zelf is God zo vaak aan Kuijer verschenen dat hij maar met haar getrouwd is.

In kinderboeken kunnen dergelijke relativeringen functioneel zijn, om het lichtvoetig te houden of om opgebouwde spanningen te breken. Hier ontkrachten ze de argumenten die hij ter tafel brengt. Of is dit de ultieme manier waarop Kuijer zich tracht te ontdoen van de ernst van de door hem zelf opgeworpen vragen over een God waarin hij zegt niet te geloven?