Kapitein van het dodenschip

Rogi Wieg: Waar hij zijn jas hangt. Een keuze uit de gedichten. Samenstelling Judith Flier. De Arbeiderspers, 192 blz. €17,50

Doodgaan is een vak. Met die regel begint een gedicht van Rogi Wieg. Het klinkt als een volkswijsheid. Ik weet niet of het waar is, maar veel tijd om erover na te denken is er niet. Wieg laat er meteen op volgen: ‘Ik heb geen vak geleerd.’ Die opeenvolging is grappig, maar zoals wel vaker bij Wieg weet je niet zeker of het zo bedoeld is. Hij stelt zichzelf voor als een mislukkeling, zonder voltooide opleiding, maar dat kan hem hier nu juist mooi van pas komen. Wie niet het vak van sterven heeft geleerd, zou dan het eeuwige leven hebben. Leuk gevonden? Wie meer van leven en werk van Wieg weet, zal het anders lezen. Over zijn problemen heeft hij zich in romans, dagboeken, gedichten en interviews uitvoerig uitgelaten: zijn depressies, dwangneurosen, obsessies, angsten – en zijn zelfmoordpogingen. Zo eenvoudig is doodgaan blijkbaar nog niet. Het is een vak.

Is het cynisch om zo te spreken, of juist melodramatisch? Een vorm van aandachttrekkerij, of juist een poging om boven de eigen particuliere ellende uit te stijgen? Ik houd altijd mijn adem in als ik Wieg lees: word ik meegevoerd door iemand die wil laten zien hoe zielig hij is, of kijk ik hier in de bodemloze put van een depressie? Op de twee geciteerde zinnen volgt deze mededeling: ‘In het laatste maanlicht bezing ik mijzelf / als ware ik onvervangbaar groot.’ Dat klinkt lyrisch en kosmisch, maar ook als een gemeenplaats. Opnieuw is er de onzekerheid: meent hij nu wat hij zegt, of doet hij maar alsof? Spreekt hij hier over de nacht waarin hij zelfmoord wilde plegen, of heeft hij zichzelf in een dichterspak gehesen en in een romantisch decor geplaatst – waarin het vervolgens gaat over de ziel, de maan, een hart en een dodenschip. Het is een wat moeilijk te volgen scenario, maar toch slaagt Wieg er ook hier weer in al associërend een paar beelden mooi met elkaar te verbinden, met kwinkslageffect zelfs. Het dodenschip is zinkende, Wieg staat aan het roer. Droogjes rijmend merkt hij op: ‘Kapitein zijn is een mooi beroep / als je niet weerkeert in een wrakke sloep.’

Het is een van de ongeveer 160 gedichten die zijn opgenomen in Waar hij zijn jas hangt, een bloemlezing uit de eerste acht bundels van Wieg, verschenen sinds 1985. De keuze is, op verzoek van de dichter, gemaakt door zijn ex-vrouw, Judith Flier. Zij heeft er een acht pagina’s tellend voorwoord aan toegevoegd, onder de titel ‘Bladzijden na ons huwelijk’, waarin het zonder veel terughouding gaat over Wiegs ziekte, zijn onhebbelijkheden, de problemen met zijn ouders, de scheiding en nog meer particulier nieuws. Bij twintig graden Celsius heeft hij het al zo warm dat hij zijn T-shirt uittrekt en met ontbloot bovenlijf door de straten van Amsterdam-Zuid kuiert, ‘waar de gegoede burgerij haar wenkbrauwen geamuseerd of verontwaardigd omhoogtrekt.’ Volgens haar maakt het dichten de kern van Wieg uit. Alleen wanneer hij dicht, leeft hij. Flier spreekt in dit verband van zijn poëziel. Maar al te veel durft ze daar ook weer niet over te zeggen, want de ervaring heeft haar geleerd dat het allemaal ook heel anders zou kunnen zijn. Haar ex-schoonmoeder is het met haar eens.

En de dichter zelf vermoedelijk ook. Het kan bij hem in zijn poëzie alle kanten opgaan. ‘Ik weet dat ik lastig ben,/ maar ik ben ook hoopvol’ schrijft hij ergens, in kinderlijke onschuld. De depressieve tegenhanger is hier ook te vinden: ‘Ik ben een afvalproduct, / niets anders dan een pratend dier,’ op zoek naar een scheermes, een stevig touw of een hoge flat. Op andere momenten weet hij weer heel goed langs welke clichés zijn regels scheren: ‘Een dichter die gekkenhuizen kent, de bajes,/ handboeien, isoleer; ik lijk wel een verdoemde / dichter.’ Soms is er geen touw aan vast te knopen. ‘Veel tijd verdween/ in draden van tekens’ en ‘Grootheid is het meervoud omarmen/ van grammaticaal zeer ongelijke tijden’. Maar gelukkig heeft Flier dit koeterwaals enigszins geweerd uit haar keuze, net als Wiegs gekoketteer met deeltjesmechanica, relativiteit, kwantumfysica en isospin.

In zijn latere gedichten weet Wieg soms een zuivere en tijdloze toon aan te slaan – zoals in het ontroerende moeder-en-zoon-gedicht ‘Alles’. ‘De hand van mijn moeder sloot zich/ om mijn hand, als een tulpenblad om/ een kleiner tulpenblad, als een glas/ om een kleiner glas, als een minuut/ om een seconde.’ In de tweede helft van het gedicht sluit hij nu, even simpel, zijn hand om die van haar, in een vergelijkbare reeks vergelijkingen, ‘als een vaas om / een kleinere vaas’, omdat hij nu haar wil beschermen. Geen effectbejag, geen moeilijkdoenerij, geen wartaal. Het zou kunnen dat het openlijk spreken en schrijven over zijn crises Wieg toch van de nodige dichterlijke tics heeft bevrijd. Nog zo’n gedicht, achterin de bundel, over het fluiten van een vogel zomaar, midden in een stilte – opeens lijkt Wieg zelf te spreken, in een rustig tempo, en te weten wat hij doet.

Zo ook in het gedicht dat hij schreef, op verzoek van de gemeente Amsterdam, bij de begrafenis van een onbekende vrouw. Hij richt zich tot haar, in rustige spreektaalzinnen, op vanzelfsprekende toon – en dat alles in de vorm van een sonnet. Hij moet een geestverwant in deze zwerfster hebben gezien, zo kameraadschappelijk spreekt hij haar aan. En hij lijkt haast wel geschrokken te zijn – alsof hij, nu het deze keer niet om hemzelf gaat, pas beseft wat de dood met het leven kan doen.