Ik wil een woeste draaikolk zijn

Álvaro de Campos verlangt in zijn poëzie naar de meest woeste, wrede en schandalige toestanden. Maar ook deze schepping van Pessoa begrijpt zichzelf niet.

Álvaro de Campos (Fernando Pessoa): Gedichten 1913-1922 Vertaald door August Willemsen. De Arbeiderspers, 445 blz. € 29,95

Het is wonderlijk om het werk van een dichter te lezen die niet bestaan maar wel geschreven heeft. Álvaro de Campos is één van de heteroniemen van de dichter Fernando Pessoa en volgens vertaler August Willemsen de meest levende van alle dichters die Pessoa ontwierp. Campos’ gedichten uit de periode 1913-1922 zijn nu in één deel bijeengebracht. Dit eerste, dikke deel is al voldoende om een indruk te krijgen van deze dichter, die Pessoa zelf in een brief aan een vriend als de ‘dichter van de avond en de nacht’ omschreef, maar die veel méér is dan dat. Willemsen noemt De Campos ‘de luidruchtigste’ en ‘de tegenstrijdigste’ en beide predikaten zijn zeker in hoge mate op dit werk van toepassing. Wat een dichter, wat een lawaaiige, opgewonden, hevig moderne persoonlijkheid – en tegelijkertijd: wat een melancholie, overgevoeligheid, verwarring.

Álvaro de Campos is ingenieur, zo wil het verhaal, en hij is een ‘sensationist’, een literair/filosofische levenshouding die sterke indrukken wil ondergaan én oproepen. Pessoa laat dit personage ook flirten met het futurisme, ook al zo’n beweging die nu zo gedateerd en daardoor bijna lieftallig aandoet: die verliefdheid op de moderne tijd aan het begin van de 20ste eeuw, met zijn machines, chroom, elektriciteit, zakelijkheid – al is De Campos vooral ook een metafysische dichter. Maar hij verenigt achteloos God en de machine, zoals in de slotregel van een brief die hij aan de hoofdredacteur van A Capital schreef, waarin hij beweert het futurisme niet te zijn toegedaan, maar het ook zeker niet te willen afwijzen ‘op een zo verrukkelijk dynamisch moment waarop de Goddelijke Voorzienigheid zelve zich bedient van electrische trams voor haar verheven lering.’

De Campos doet dat wel vaker, in een orgie van taal en woorden van alles oproepen, beweren, uitschreeuwen zelfs, zonder dat duidelijk is óf er echt iets beweerd wordt. Hoe harder hij schreeuwt, hoe minder hij overtuigd lijkt van zijn eigen gevoelens en bedoelingen. Maar tegelijkertijd is hij dan als dichter wél heel overtuigend, dat wil zeggen: als talent, als iemand die inderdaad een orgie van woorden en beelden kan oproepen die de lezer als in een draaikolk meesleuren. Hij belijdt in zijn grote gedichten een levenshonger, een verlangen naar de meest woeste, massale, wrede en schandalige toestanden, liefst allemaal tegelijk ondergaan, die merkwaardig afsteekt tegen het even zo vaak beleden onvermogen om zichzelf en zijn gevoelens te doorgronden. Waar hij zichzelf introduceert als een verwarde observator van zichzelf – ‘Ik zie mijzelf en ik begrijp mij niet’ – probeert hij zich in zijn oden en manifesten uit die toestand los te schrijven en al schrijvende de draaikolk van de wereld te worden, voluit levend, niet langer observerend en overwegend. ‘O stoffen in de etalages! o etalagepoppen! o laatste modellen!/ O nutteloze artikelen die iedereen wil kopen! […] Hé, gewapend cement, cementbeton, nieuwe procédés! […] Ik houd van u allemaal, van alles, als een wild beest./ Ik houd van u op carnivore wijze’ schrijft hij in zijn ‘Triomf-Ode’, die één grote lofzang is op de moderne tijd en tegelijkertijd een poging is zich die tijd volledig toe te eigenen, zozeer toe te eigenen dat het verschil tussen de dichter en de wereld opgeheven zal worden. Dat leidt tot het verlangen verscheurd en vermorzeld te worden door deze opwindende wereld: ‘Gooi mij in ovens!/ Leg mij onder treinen!’ in een vermenging van ‘ik weet niet welk moderns en ikzelf en lawaai!’.

De vele uitroeptekens dragen niet weinig bij tot de extatische, soms geëxalteerde stemming van de dichter die steeds meer opsomt, steeds luider blijk geeft van zijn razende verlangen dat als ‘een koorts en een bronst en een honger’ is om óveral in door te dringen. ‘O dat ik niet iedereen kan zijn en overal!’

Spijt

Het is een niet onbekend verlangen, veel dichters en schrijvers hebben er blijk van gegeven, maar meestal gaat het juist met melancholie gepaard, met spijt om de onophefbare gescheidenheid. Die melancholie kent De Campos ook, maar hij wil zich daar uit dichten. Of dat lukt is de vraag. August Willemsen noemt deze opwinding doodleuk ‘een intellectueel kunstje’. En dat is het dat ook; Pessoa, noch zijn scheppingen zijn onbewust en razend levende mensent. Toch slaagt De Campos er soms wel in om te overtuigen in zijn extase – neem bijvoorbeeld de geweldige ‘Ode van de zee’, die al eens eerder, in 1981, verscheen, als aparte uitgave, ook vertaald door Willemsen.

Het gedicht begint met een figuur op de kade die naar de zee, ‘het Onbegrensde’, kijkt en een pakketboot ziet naderen . Bij het kijken naar de zee, naar die boot, begint in de dichter ‘een vliegwiel’ te draaien, aanvankelijk langzaam, maar geleidelijk aan steeds sneller. De overwegingen gaan eerst over aankomst en vertrek, over andere mensen op andere kades, over de ‘metafysische betekenissen’ van het aan- en afmeren: ‘O, elke en iedere kade is een hunkering van steen!’

Dan ontwerpt hij een ‘Grote Aanvankelijke Kade’ en het vliegwiel komt op gang, en er is het grote vertrekken in vroeger eeuwen en nu ook, het eeuwige vertrekken en aankomen en een verlangen naar het onbekende dat vertegenwoordigd wordt door dat ene pakketbootje dat álle schepen wordt: ‘Heel het leven op de zeeën! alles in het leven op de zeeën!’ En daar komen de zeilboten uit vroeger tijden aan en de reizen vol gevaren en de piraten, en het vliegwiel van de verbeelding begint nu heel snel te draaien en daar ‘breekt door mij heen, al fluitend, huilend en duizelend,/ De sadistische, sombere bronst van het gierende leven op zee.’ Volgen lange opsommingen van wat mannen op zee doen, en dat is niet alleen maar werken, nee, dat is ook slachten en verkrachten en wreedheden begaan en bloed doen opspatten en mensen folteren, ophangen, levend begraven, de ogen uit de kassen rukken. ‘Heia, wat een leven! dat was leven, heia!’ en de dichter leeft zich helemaal in, hij is piraat en later is hij een van hun vrouwelijke slachtoffers, hij verkracht en wordt verkracht, rijt uiteen en wordt uiteengereten, vernedert en wordt vernederd – ‘God zou ik moeten zijn, God van een ongekende eredienst.’

Ontsnappen

Zeker is dit een kunstmatige opwinding, maar het is ook meeslepend gedicht en vooral is het een ongelooflijke evocatie van het razende verlangen om te ontsnappen aan het leven waarin alles beperkt en ingeperkt is en om één groot kolkend universum te worden. Die razernij is niet vol te houden, en al spoedig komt de dichter weer tot zichzelf en vraagt zich af: ‘O, hoe heb ik deze dingen kunnen denken, kunnen dromen?’ En zijn gevoelens worden weer ‘normaal, correct als gentlemen’.

Het is een schitterend gedicht, een uitwerking in zekere zin van een regel uit een veel vroeger gedicht: ‘En nimmer weet ik hoe ik om moet gaan/ met dit gevoel in mij, tot mijn verdriet’. Tegelijkertijd is het een illustratie van het tegendeel: de innerlijke tegenstrijdigheid is niet op te lossen, maar de omgang ermee levert meeslepende, hevige, en intens levende poëzie op.

De sensationist De Campos, lost iets op voor de symbolistische metafysicus Pessoa, die hij zelf ook is, zoals je maar al te vaak goed kan merken. Maar De Campos heeft, doordat hij zo’n moderne ingenieur is en de versierselen van zijn tijd met ere draagt, weer heel andere uitdrukkingsmogelijkheden dan Pessoa zelf of één van de andere heteroniemen, zoals bijvoorbeeld de sterk anti-metafysische Alberto Caeiro.

Toch vreemd om te bedenken dat ook die Caeiro uit Pessoa voortkwam. Maar eigenlijk is dat van die heteroniemen ook eenvoudig, Pessoa maakt het zelf in een brief buitengewoon begrijpelijk: ‘Dit alles is gevoeld in de persoon van een ander; het is dramatisch geschreven,maar het is oprecht […], zoals oprecht is wat Koning Lear zegt, die niet Shakespeare is maar een schepping van hem.’ Zo is het. De schreeuwerige ‘gesticulatoire’ De Campos, (een woord dat Willemsen in zijn nawoord verzint en dat buitengewoon gelukkig gevonden is) is een oprechte schepping waar niets dan kunst uitkomt. Oprechte kunst.