Het prijskaartje van een oude kademuur

Middeleeuwse muren en een kronkelend riviertje maken deel uit van ons cultuurhistorisch kapitaal. Maar hoe bereken je ‘cultuurhistorische waarde’? Is immateriële welvaart ook in geld uit te drukken?

Cultuurhistorie kost geld. Dat weet iedereen, dat weten ook de bestuurders van de provincie Gelderland. Maar zij willen er graag voor zorgen dat de middeleeuwse muren van Buren of de historische landschappen met hoogstammige appelboomgaarden langs de kronkelende Linge behouden blijven. Dat betekent de komende tien jaar wel investeren, maximaal 4 miljoen euro per jaar. Tot zover niets nieuws onder de zon.

Maar cultuurhistorie heeft ook een waarde die in harde euro’s is uit te drukken. Dat zegt milieueconome Elisabeth Ruijgrok van adviesbureau Witteveen + Bos. In Economische waardering van cultuurhistorie, een studie over de Tieler- en Culemborgerwaard concludeert zij dat het Gelderse plan om in de cultuurhistorie te investeren ook sociaal-economische baten heeft en dat die veel groter zijn dan de kosten: „195 miljoen euro.”

Ruijgrok houdt zich niet bezig met goederen of diensten die op een markt worden verhandeld. Toch is het in de milieu- en welvaartseconomie al jaren heel gewoon om ook aan zaken als natuur, water en bodem een prijskaartje te hangen, zij het een hypothetisch kaartje. Bijvoorbeeld door vast te stellen dat een rietland water zuivert en dan te berekenen hoeveel het zou kosten om dezelfde hoeveelheid water door een installatie te laten zuiveren. Deze benadering is sinds 2004 algemeen aanvaard. Met de gevolgen van grote bouw- en infrastructuurplannen op natuur, water en bodem wordt rekening gehouden in de vanaf 2000 verplichte maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Met cultuurhistorie is het anders. Omdat er nooit een geldwaarde aan gekoppeld kon worden, is ze tot nu toe in zo’n analyse alleen maar een pro-memoriepost geweest.

Met geld van projectbureau Belvedere – een meerjarig samenwerkingsproject van drie ministeries om cultuurhistorie een grotere rol te laten spelen bij ruimtelijke ordening – heeft Ruijgrok voor het eerst in Nederland onderzoek gedaan naar de economische waardering van cultuurhistorie.

Drie dagen lang gingen enquêteurs op pad om op tien verschillende plekken wandelaars en voorbijgangers aan te schieten. Het winkelend publiek in Geldermalsen, Gorinchem, Leerdam en Tiel liep voor driekwart door. Bij recreatieplekken als Fort Vuren en in het Lingebos reageerden de meeste mensen wel positief op de openingsvraag „mag ik u iets vragen over het historisch erfgoed in de Tieler- en Culemborgerwaard?”

De uitkomsten vielen Ruijgrok niet tegen. „De respondenten gaven aan bereid te zijn om 1,22 euro voor een routeboekje te betalen.” Op basis van gegevens van het zogeheten continue vakantieonderzoek van het CBS schat Ruijgrok het aantal bezoekers dat een boekje koopt op 28.000 per jaar. „Dat leidt tot een recreatieve belevingswaarde van meer dan 30.000 euro per jaar.” Voor de instandhouding van het gebied voor hun nakomelingen toonden de respondenten zich bereid om nog meer geld te geven: gemiddeld 11,88 euro per jaar. Ruijgrok berekende de totale verervingswaarde door alleen het aantal huishoudens in de naburige provincies Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland mee te tellen. Met een conservatieve schatting van 2,8 miljoen huishoudens kwam ze tot een totale verervingswaarde van bijna 34 miljoen euro per jaar.

Carel Eijgenraam, projectleider ruimtelijke economie van het Centraal Planbureau (CPB), ziet niets in waardebepaling door middel van enquêtes, oftewel de conditionele waarderingsmethode. „Zo werken we op het CPB niet.” Zijn bezwaren: het gaat om een hypothetische waarde, los van een marktprijs, die ook nog eens gebaseerd kan zijn op strategische of sociaal wenselijke antwoorden van de ondervraagden. Conclusie: „De hele zaak zweeft.”

Jan Fokkema, directeur van de Neprom, de vereniging van projectontwikkelaars, reageert vergelijkbaar. Zeker, hij vindt het goed dat er pogingen worden gedaan om cultuurhistorie in geld uit te drukken. „Dat is een eerste stap, die aangrijpingspunten kan geven om beter met collectieve middelen om te springen.” Maar die publieke hypothetische waarde moet wat hem betreft ook op de een of andere manier in klinkende munt worden omgezet. „Het geld moet ergens uit de zak.”

Harmen Verbruggen, hoogleraar milieueconomie aan de Vrije Universiteit, is niet verbaasd over de kritiek. „Zo denkt men bij het CPB, dat weet ik.” Maar ook milieueconomen zijn kritisch over de onderzoeksmethode, voegt hij eraan toe. „Het is altijd afwachten of mensen het bedrag ook werkelijk willen betalen. In Scandinavië hebben ze ooit een onderzoek gedaan, waarbij de mensen niet alleen moesten zeggen hoeveel ze voor verbetering van het milieu wilden uitgeven, maar daarna ook daadwerkelijk het genoemde bedrag moesten geven, om die verbetering te bekostigen. De hoogte van het bedrag kwam aardig overeen met dat van andere onderzoeken.”

Ruijgrok heeft ook nog een onderzoek verricht waarbij er wel harde marktprijzen uitrolden. „Ik heb de prijs voor woongenot in huizen met en zonder historische kenmerken berekend.” Voor deze berekening gebruikte ze de zogeheten hedonische prijzenmethode, die bij kosten-batenanalyses voor geluids- en stankhinder wordt toegepast. Hierbij wordt een goed als een bundel elementen met bepaalde prijzen beschouwd. „Dit is de eerste keer ter wereld dat hij op bouwhistorie wordt toegepast”, zegt Ruijgrok.

Met gegevens uit het Kadaster van Tiel over de verkoopprijzen van woningen kon ze aan de hand van zaken als authenticiteit, bouwstijl, gebruikte materialen en historische kenmerken de woongenotswaarde berekenen. Conclusie: huizen met historische kenmerken brengen meer op. Kopers zijn bereid om voor zo’n huis 14,8 procent meer te betalen. Omgekeerd kan de verwijdering van historische kenmerken of een ondoordachte verbouwing de waarde doen dalen. Een kenmerk aan een historische gevel verwijderen kost al snel 3.800 euro. Ruijgrok verdeelde de huizen ook over drie klassen van authenticiteit. Degradatie naar een lagere klasse door onverantwoord omspringen met bouwhistorie betekent een waardedaling van 30.000 euro. Al met al leverde het onderzoek naar de woongenotswaarde de cultuurhistorie in de Tieler- en Culemborgerwaard een eenmalig batig saldo op van 21,6 miljoen euro. Ook Eijgenraam van het CPB kan met dit saldo leven. „De hedonische prijsmethode, hoewel duur en tijdrovend, is betrouwbaarder, omdat je je op echte marktprijzen baseert.”

Ruijgroks poging om cultuurhistorie een economische waarde te geven staat niet op zich. Vorig jaar kwam het Ruimtelijk Planbureau met de essaybundel Schoonheid is geld, waarin deskundigen zich afvragen in hoeverre de belevingswaarde van ruimtelijke ontwerpen in geld is uit te drukken. Verder heeft het onderzoeksbureau Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) de relatie tussen cultuur en economie onderzocht. Een van de conclusies was dat historisch erfgoed een vestigingsfactor voor kennisintensieve en dienstverlenende bedrijven is, omdat oude huizen hoger opgeleiden aantrekken. En Ruijgroks onderzoek krijgt dit jaar een vervolg, door te kijken of er een uniforme classificatiemethode voor cultuurhistorie ontwikkeld kan worden. Het is de volgende stap om te proberen cultuurhistorie als volwaardig element in MKBA’s op te nemen.

Niet iedereen is hier gelukkig mee. Voormalig Tweede-Kamerlid Adri Duivesteijn (PvdA): „Cultuurhistorie is per definitie van onschatbare waarde. Een rekenexercitie kan wel een steun zijn bij afwegingen en beslissingen als een tracékeuze. Het gevaar bestaat dat de MKBA het politieke debat gaat vervangen. Politici die alleen maar naar de bottom line kijken en daarop hun mening baseren, zijn geen knip voor hun neus waard.”