Geen moeder om lief te hebben

Vrouwen en joden komen er slecht van af in het lang verborgen gebleven werk van de joodse, Frans-Russische schrijfster Irène Némirovsky, die in Auschwitz werd vermoord. Hoe kan dat?

Elisabeth Gille: Irène Némirovsky, een vrouw. Vertaald door Marianne Gossije. De Geus, 287 blz. € 19,90

Irène Némirovsky: David Golder. Vertaald door Pauline Sarkar. De Geus. 158 blz. € 17,90

Irène Némirovsky: Le maître des âmes. Denoël, 288 blz. €18,–

In de fictieve autobiografie van Irène Némirovsky (1903-1942) zijn joden een terugkerend onderwerp. ‘Ik wist natuurlijk dat wij joden waren’, staat er bijvoorbeeld, ‘maar het zei me niet veel. Mijn ouders waren niet praktizerend’. In Kiev, waar ze als meisje woont, zijn haar grootouders van moederskant de enigen in haar directe omgeving die zich houden aan de voorschriften van de joodse religie, maar op verzoek van haar moeder beperkt zich de uitoefening ervan in hun bijzijn tot de slaapkamer.

Andere joden komt ze tegen op wandelingen met haar gouvernante door de volksbuurt: ‘oude mannen met peies en een grote rossige baard, ziekelijke kinderen met grote donkere ogen en schrale krullen, vrouwen met pruiken die in de rij stonden voor de kosjere winkels’. ‘Vies en achterbaks’ vindt ze ze, ‘bang en ongemakkelijk’ wordt ze ervan.

Die weerzin raakt Irène Némirovsky niet meer kwijt. Als ze later in de Parijse wijk Belleville jiddisch hoort spreken, grijpt ‘een onbestemde angst’ haar bij de keel, ‘die, eenmaal thuis, gevolgd wordt door een astma-aanval.’ Ze is zich bewust van haar ‘kille houding tegenover deze mensen’, schrijft ze, en beseft dat daar in haar werk sporen van te vinden zijn. Hoe zullen haar ouders reageren, vraagt ze zich af (in 1929), als ze ooit David Golder lezen, de roman die ze net heeft voltooid en waarin ze ‘hun milieu bepaald niet spaart’. Datzelfde geldt voor een novelle waaraan ze kort ervoor begonnen is, Het bal. ‘Hierin stel ik aan de kaak wat ik vrees en verafschuw: de buitensporige liefde voor geld en weelde, die parvenu-mentaliteit die arrogant en zonder goede smaak pronkt met zijn rijkdom, kortom de entourage waarin mijn moeder en haar kring zich bewegen.’

De citaten zijn ontleend aan Irène Némirovsky, een vrouw, geschreven door Elisabeth Gille, de dochter van de gevierde Franse schrijfster, in 1992 in het Frans verschenen onder de titel Le mirador en onlangs in het Nederlands vertaald. Het zijn ‘mémoires rêvées’, waarbij Gille de plaats heeft ingenomen van haar moeder, die in 1942 in Auschwitz werd vermoord. Het is een gedreven, boeiende biografie, waarbij Gille gebruik maakt van haar moeders werk en ook put uit gesprekken met en getuigenissen van Franse en Russische auteurs, zodat ze een schitterend tijdsbeeld weet op te roepen. Gille, die tien jaar geleden overleed, was vertaler, uitgever en schreef onder meer Een landschap van as, een autobiografische roman over twee meisjes die nooit afscheid hebben kunnen nemen van hun gedeporteerde ouders.

In Irène Némirovsky, een vrouw, schetst Gille het leven van haar moeders rijke joodse bankiersfamilie in Kiev en hun vlucht naar Finland bij het uitbreken van de Oktober Revolutie in 1919. Uiteindelijk vestigt het gezin zich in Parijs, waar de bankier opnieuw fortuin weet te maken. In 1929 wordt Irène Némirovsky daar met haar eerste roman David Golder, in een klap beroemd. Sinds het internationale succes van Storm in juni, Némirovsky’s lang verborgen gebleven roman over de exodus van Parijs in 1940, wordt in Frankrijk haar hele oeuvre opnieuw uitgegeven. David Golder, onlangs vertaald, is een schitterende roman over een joodse aardoliehandelaar, een keiharde zakenman wiens leven bestaat uit geld verdienen. Voor zijn vrouw en dochter is hij niet meer dan ‘een machine om geld uit te halen. Betalen, betalen, betalen en donder dan maar op!’. Karikaturen zijn het: de op geld beluste joodse woekeraar, de kille, op sieraden uit zijnde echtgenote en de verkwistende, dommige dochter die haar vader om haar mooie vinger windt.

De bijzonder onsympathieke vrouwelijke personages zijn direct geïnspireerd op Némirovsky’s moeder en wie deze fictieve autobiografie leest begrijpt waarom. Geheel gericht op luxe en eigen welbevinden, beschouwde ze haar dochter als een hinderlijke sta-in-de-weg die met haar jeugdige schoonheid een schaduw wierp op haar eigen ambities. Later smeekte ze haar zwangere, volwassen dochter een abortus te laten plegen, ‘in een onder tranen gedane wanhopige bekentenis dat zij geen grootmoeder wilde worden’. Vlak na de oorlog zou ze haar twee kleindochters, die ondergedoken hadden gezeten, hun ouders hadden verloren en ziek op zoek waren naar een onderkomen, keihard de deur wijzen.

Alleen de doktersvrouw uit Le maître des âmes, geschreven in 1939, ontsnapt aan Némirovsky’s stereotype van de harde, op geld beluste vrouw. In deze roman tracht een arts uit het Oosten, een ‘levantin’, een ‘métèque’, tegen alle xenofobie van die tijd in, een artsenpraktijk op te bouwen in Nice, later in Parijs. Als het op een eerbare manier niet lukt, neemt hij zijn toevlucht tot een op Freud geïnspireerde methode van genezing van geesteszieken – puur charlatanisme, maar schatrijk wordt hij wel.

Opvallend – ook haar dochters hebben zich daarover verbaasd – is de keiharde karikatuur van de joden die in Némirovsky’s werk voorkomt. Haar scherpe observatievermogen geldt vooral hen, ‘alsof ze al besefte dat de jood, de bedreigde, het dramatis personae van de 20ste eeuw zou worden’, schrijven haar toekomstige biografen, Olivier Philipponnat en Patrick Lienhardt in Livres Hebdo.

Tegelijkertijd heeft zij haar eigen situatie, als joodse Russisch-Franse schrijfster volledig verkeerd ingeschat. ‘Frankrijk was het land van vrijheid en van edelmoedigheid’, schrijft Gille met de pen van haar moeder, ‘Het land had mij opgenomen en ik had het land aanvaard. […] Mijn dochter en ik lopen hier geen enkel gevaar meer.’

Hoewel de mogelijkheid zich een aantal malen voordeed om het land te verlaten of onder te duiken, bleef Némirovsky weigeren het gevaar serieus te nemen. In juli 1942 werd ze opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd. Drie maanden later ging haar man dezelfde weg. Hun dochters werden net op tijd toevertrouwd aan een vriendin op het platteland.

Elisabeth schreef de fictieve autobiografie van haar moeder, Denise gaf twee jaar geleden haar grote, lang verborgen gehouden, ongepubliceerde meesterwerk uit en reist sindsdien, inmiddels 77 jaar, de wereld rond om haar moeders naam alsnog wereldberoemd te maken.