En nou onder je bed!

Arnon Grunberg reisde voor deze krant mee met de manschappen van de Nederlandse militaire ISAF-missie die helpt bij de wederopbouw van de Afghaanse provincie Uruzgan. In de derde en laatste aflevering raakt hij verdwaald in het kamp bij Kandahar

Op het eind van Apocalypse Now vraagt Kurtz (Marlon Brando) aan kapitein Willard (Martin Sheen): „Are you an assassin?”

Kapitein Willard antwoordt: „I’m a soldier.”

Vervolgens zie je het grote, glimmende hoofd van Brando en hij zegt: „You’re neither. You’re an errand boy sent by grocery clerks to collect a bill.”

Aan deze woorden moet ik denken terwijl ik in een tent op Kandahar Air Field (KAF) luister naar een veiligheidsbriefing. Boodschappenjongens gestuurd door kruideniers om een rekening te innen. Een missie waarin sommige van de militairen geloven. Anderen niet, of maar voor de helft. Ik heb begrepen dat geloof nergens voor nodig is. Je gaat omdat je gestuurd wordt, daarin zit je beroepseer. De man van de veiligheid zegt: „Zoals jullie gemerkt hebben doen de meeste van jullie mobiele telefoontjes het hier. Denk eraan dat de Taliban, de Pakistanen, de Russen, de Fransen en de Amerikanen allemaal kunnen meeluisteren. Er zijn hier op het kamp telefoonkaarten te koop waarmee je voor één cent naar het buitenland kunt bellen. Maak daar vooral gebruik van, maar weet dat het bedrijf dat die telefoonkaarten aanbiedt gevestigd is in Moskou in hetzelfde gebouw waar ook de Russische geheime dienst zit.”

Voor de inventiviteit van de Russische geheime dienst moet men achting hebben.

„Voor het eten is handenwassen verplicht”, zegt de man van de veiligheid, „na het gebruik van het toilet eveneens. Denk niet, thuis doe ik het nooit, dus ik laat het hier lekker ook. Neem geen eten mee uit de eettenten naar je eigen tent. Het is verboden. Op voedsel komen muizen af en met de muizen komen de slangen.”

De man van de veiligheid in dit kamp in de woestijn doet mij denken aan het Oude Testament.

De veiligheidsbriefing gaat verder, maar de pers mag de tent verlaten.

Buiten nadert het vijfenveertig graden. De zandstorm is nog niet gaan liggen. Tussen het zand door zie ik een man op mij afkomen die zich voorstelt als majoor Robert. Een lange man met een snor. „Ik ben verantwoordelijk voor de pers”, zegt hij.

Niet veel later doemt er een tweede man op die zich voorstelt als majoor Erwin. „Welkom”, zegt hij, „ik ben er hier voor de pers.”

Het is mij onduidelijk waarom er twee majoors voor de pers zijn. Snel begrijp ik het, majoor Erwin is van de landmacht en majoor Robert is van de luchtmacht. Het Nederlandse leger bestaat uit minstens twee met elkaar concurrerende legers.

Als majoor Robert zich verwijderd heeft, zegt majoor Erwin: „Het probleem met de luchtmacht is dat ze niet kunnen marcheren en dat ze zich niet aan de kledingvoorschriften houden.”

Als majoor Erwin weg is, maakt majoor Robert een grap over een herentoilet en een luchtmachter en een landmachter, die ik hier niet zal herhalen, maar waarbij de landmachter er niet goed af komt.

Ik klim bij majoor Robert in de jeep voor een rondleiding door het kamp. „Dit hier”, zegt majoor Robert, „is de boardwalk.”

Van hout is er op miniatuurniveau een poging gedaan Coney Island na te bootsen. Het bouwsel is helaas niet af. Rondom de boardwalk zijn winkeltjes waar souvenirs kunnen worden gekocht, er zit een kleermaker, in een vrachtwagen bevindt zich een Burger King. Er is een Pizza Hut en een Tim Hortons waar iced cappuccino’s, bagels en donuts te koop zijn. De donuts zijn uitverkocht.

Die dag bericht een Canadese krant: „De Canadese troepen op KAF treuren om het gebrek aan donuts.”

Majoor Robert geeft gas. „Ik heb ze allemaal hier gehad”, zegt hij enthousiast, „Conny Mus, die jongen van HP/De Tijd, de NOS, RTL, en ik maak knipselkrantjes.”

„Wat voor krantjes?” roep ik. De jeep maakt veel lawaai. Ik meen majoor Robert verkeerd verstaan te hebben.

„Knipselkrantjes”, schreeuwt hij. „Dan ga ik achter mijn computer zitten, dan kijk ik wat voor nieuws er is, en dan plak ik dat achter elkaar, dat de troepen hier weten wat er in de wereld gebeurt.”

We stoppen bij de PX, de Amerikaanse legerwinkel. Een barak met spullen en twee kassa’s.

„Kijk maar of er wat bij is”, roept majoor Robert, die steeds enthousiaster wordt, „duur is het niet.”

Duur is het inderdaad niet, en aangezien mijn rugzak nog in Kabul staat en daar ook voorlopig zal blijven staan, schaf ik een hoedje, een handdoek, slippers en thermo ondergoed aan. Hoewel er bij staat dat militairen dit ondergoed niet onder hun uniform mogen omdat het brandgevaarlijk is. En een korte broek waarop ‘army’ staat. Eigenlijk mag die broek alleen door Amerikaanse militairen worden aangeschaft, maar bij de kassa geef ik me uit voor Amerikaan.

Mijn net aangeschafte korte broek maakt deel uit van dat vrijetijdsuniform van het Amerikaanse leger. Tot ergernis van majoor Erwin heeft het Nederlands leger geen vrijetijdsuniform. Vandaar dat je midden op de dag officieren in een PSV t-shirt door het kamp ziet banjeren.

Majoor Robert staat bij zijn jeep. Af en toe barst hij zonder aanwijsbare reden uit in een aanstekelijk gelach

We rijden naar een heuvel bij een toegangspoort waar Afghanen binnen worden gelaten die in het kamp werken. Ze moeten hun identiteitsbewijs afgeven, in ruil daarvoor krijgen ze een toegangsbewijs voor één dag voor KAF.

„De vrachtwagens”, zegt majoor Robert, „heten jingle trucks omdat ze behangen zijn als een kerstboom.”

De vrachtwagens zien eruit alsof ze stervende zijn.

„En we moeten controleren”, zegt majoor Robert, „of er geen bommen het kamp in worden gesmokkeld. Alles wat dienst kan doen als een bom is verboden. Een autoradio, een horloge op batterijen, een wekker. Als we zoiets vinden krijgen ze eerst een waarschuwing, dan komen ze er niet meer in.”

Op een heuveltje staat een jeep met Nederlandse militairen die deze middag de binnenkomende Afghanen controleren.

De militairen zeggen niet veel. Ze kijken naar het kamp, de vrachtwagens, de Afghanen die komen en de Afghanen die weer vertrekken. Vanaf dit heuveltje zien de Afghanen er inderdaad minder menselijk uit dan wij. Ik begrijp dat het niet te achterhalen is welke Afghanen te vertrouwen zijn en welke niet. Vandaar dat je ze vanachter je machinegeweer goed in de gaten moet houden.

Het klassieke dilemma van elk bezettingsleger: hoe weten we wie voor ons zijn? „Gaat het?” vraag ik.

Een van de militairen knikt. Spraakzaam zijn ze niet.

„Zijn er wel eens problemen?” informeer ik.

De militair schudt langzaam zijn hoofd. „Een enkele keer moeten we een waarschuwingsschot afvuren. Kogels, dat is vaak de enige taal die die jongens spreken.”

Majoor Robert snuift. „Ruik je dat?”, vraagt hij. „De wind is gaan draaien. Dat is de shit pit.”

De shit pit is een meer in het kamp waar het rioleringswater heen vloeit om te worden gezuiverd.

Het verhaal gaat dat een van de Roemeense militairen voor tweehonderd dollar door de shit pit is gezwommen.

„We gaan eten”, zegt majoor Robert en hij wrijft vergenoegd in zijn handen. Nog even kijkt hij naar de werkers. „Primitieve maar mooie mensen, die Afghanen”, zegt hij, „en alles morgen. Morgen, morgen, morgen. Maar uiteindelijk krijg je het wel van ze gedaan.”

Er zijn verschillende eetzalen, alleen de Britse militairen hebben een eetzaal geheel voor zichzelf. Overal wordt het eten verzorgd door KBR, onderdeel van Halliburton. KBR heeft ook de sanitaire voorzieningen onder zijn hoede.

Bij het betreden van de eettent, na het rituele handenwassen dat mij opnieuw oudtestamentisch voorkomt, moet je intekenen. Er wordt om een militaire identificatiecode gevraagd.

„Wat vul ik in?” vraag ik beleefd.

„Vul maar wat in”, zegt majoor Robert, „ik vul altijd het aantal dagen in dat ik hier nog moet zijn.”

In de eettent maak ik kennis met het niet-Afghaanse, civiele personeel van het kamp. Voornamelijk Amerikanen die hier hun pensioen bij elkaar sprokkelen. Een jaartje koken in Afghanistan betaalt niet slecht.

Er wordt die avond geroerbakt. „Zo lekker heb ik in drie maanden nog niet gegeten”, zegt majoor Robert. Zijn lach wordt steeds groter. „Vorige week”, zegt hij, „landde een raket in de slabak in de andere eettent. Eigenlijk zou je daar nu moeten gaan eten. En als het luchtalarm gaat tijdens het eten, staat iedereen op en rent naar de bunker, maar tegen de tijd dat je dan weer terug bent, bestaat de kans dat het warme eten voorbij is. Daarom eten de Roemenen eerst hun eten op als het luchtalarm gaat.”

Ik kijk naar de Roemeense militairen een tafeltje verderop.

„Ben je wel eens in Kandahar geweest, de stad?” vraag ik.

„We komen het kamp niet uit”, zegt de majoor, „dat is veel te gevaarlijk.”

Na het eten slenter ik naar de Dutch Corner, een soort van café waar men kan tafeltennissen, tafelvoetballen en voor een schappelijke prijs Pakistaanse perziksap kan aanschaffen. Koffie en thee zijn gratis.

Daar leer ik wachtmeester Wouter kennen. Hij is 27 jaar, maakt deel uit van het tankbataljon van overste Nico en heeft zijn vriendinnetje tijdens een oefening in Duitsland ontmoet. Wachtmeester Wouter leert mij de taal van het leger. Peppi is mooi, gaaf, cool. Als in: wat een peppi holster heb jij. TIC is Troops In Contact. „Dat betekent dus”, zegt Wouter, „dat wij op hen schieten of zij op ons. Er zijn vandaag bijvoorbeeld meerdere TIC’s geweest. Je hebt twee soorten TIC’s, TIC’s die wij uitlokken. En TIC’s die zij uitlokken.”

Dan zijn er de eufemismen: Hij beleefde een moment van mindere vreugde. Dat wil bijvoorbeeld zeggen: hij raakte zwaargewond bij een raketaanval.

„En ‘kut’”, zegt de wachtmeester, „mogen we niet zeggen. Daarom is kut bij ons: Kwalitatief Uitermate Teleurstellend. Laten we tafelvoetballen.”

We gaan naar de Canadezen die ook een geïmproviseerd café hebben, zij het dat er geen Pakistaanse perziksap te krijgen is. Daar staat koffie met vanillesmaak tegenover.

Na twee spelletjes vraag ik: „Je bent straks een tijd van huis en er lopen hier beschaafde vrouwelijke militairen rond. Bloeit er wel eens iets op?”

De wachtmeester buigt naar achteren, dan weer naar voren. Even denk ik dat hij mij op mijn neus gaat timmeren, maar hij houdt zich aan het tafelvoetbalspel vast en zegt: „We zijn allemaal mannen. En als er een vrouw voorbijkomt kijken we allemaal en we hebben allemaal onze gevoelens, maar daarvoor hebben we onze twee handen gekregen. Of beter gezegd één.”

Ik heb de indruk dat ik gelukkig ben op Kandahar Air Field.

Na anderhalf uur tafelvoetballen zegt de wachtmeester: „Ik moet verder. Morgenochtend vroeg vertrekt de overste naar Tarin Kowt. Zal ik je wakker maken? Dan kun je hem uitzwaaien.”

„Maak me wakker”, zeg ik, „ik slaap in de perstent, als je me weet te vinden.”

„Ik vind alles”, zegt de wachtmeester. Dan verdwijnt hij in het stof.

Van majoor Erwin heb ik een matje gekregen dat ik op het smerige matras kan leggen, zolang mijn slaapzak nog in Kabul staat. Ik kleed mij uit in de hoop dat kapitein Cynthia die tegenover mij slaapt nog even wegblijft. Dan hijs ik me in mijn thermo-ondergoed, trek mijn slippers aan en loop naar de douche. Een minuut of vijf van mijn tent.

Van majoor Robert heb ik gehoord dat er goede en slechte douches zijn, zoals er ook goede en slechte toiletten zijn. Zo’n kamp heeft zijn eigen wetten.

Onderweg maak ik in mijn thermo-ondergoed veel gelach los onder de manschappen.

Ik vind de goede douches, maar blijkbaar is het tijdstip niet goed. Het is er vol. Voor de douches hangt een gordijn dat eens wit was. Voor de toiletten hangt een soortgelijk gordijn. Na enig zoeken vind ik een vrije douche en ik kleed me haastig uit. Mijn ondergoed, bril en handdoek leg ik op een houten bankje.

Onder de douche wordt het duidelijk waarom men de douches niet op blote voeten mag betreden. De herendouches op KAF zijn één grote spermabank. Na drie minuten houd ik het voor gezien. Ik steek mijn hand naar buiten om mijn handdoek de douche in te trekken. Iemand anders trekt ook aan de handdoek. Ik trek harder. Het helpt niet. Daarom stap ik uit de douche.

Een naakte militair vraagt: „Zou je het heel erg vinden om je met je eigen handdoek af te drogen?”

„Helemaal niet”, antwoord ik.

Mijn handdoek is op de grond gevallen. Haastig droog ik mij af. De ruimte is zo klein dat je ongewild andere mensen aanraakt. Telkens mompel ik: „Neem me niet kwalijk.”

Halfnaakt en halfnat vlucht ik naar mijn tent. Na een kwartier lopen dringt het tot me door dat ik verdwaald ben. Dieper en dieper dring ik door in het Canadese gedeelte. Eindelijk zie ik een militair. Hij staart naar de sterren. In mijn thermo-ondergoed maak ik ongetwijfeld een vreemde maar geen verdachte indruk.

„Ik zoek de boardwalk”, zeg ik.

Vroeg in de ochtend wordt er met een zaklantaarn in mijn gezicht geschenen. Wachtmeester Wouter heeft me gevonden.

We lopen naar de landingsstrook waar helikopters klaarstaan om overste Nico en enkele mannen van zijn bataljon naar Tarin Kowt te vervoeren. Overste Nico is iets gespannener dan in het vliegtuig naar Kabul.

„Gaan jullie vooruitgang boeken, daar in Tarin Kowt?” vraag ik. „Wanneer is de missie een succes?”

„Ik kan me niet voorstellen dat we geen vooruitgang boeken”, zegt de overste. „We hebben signalen opgevangen dat de bevolking ons hier graag wil hebben.”

Eigenlijk zou ik willen vragen hoe die signalen zijn opgevangen, maar het lijkt me niet het juiste tijdstip voor dergelijke vragen.

„En het leger?” vraag ik, „hoe zie jij het leger, overste, in zijn totaliteit, zeg maar?”

“We zijn onderdeel van de maatschappij, maar we zijn geen afspiegeling van de maatschappij, want geestelijk en lichamelijk gehandicapten kunnen we in het leger niet gebruiken.”

De overste stapt in de helikopter. Ik moet mijn handen tegen mijn oren drukken. Die ochtend schaf ik bij Tim Horton’s een dozijn muffins aan om uit te delen aan voorbijkomende officieren en soldaten. Het begin van vriendschap is de juiste traktatie op het juiste moment. Als alle muffins op zijn kom ik Rik, korporaal eerste klasse, tegen, en Michel, sergeant. Michel is in de dertig, Rik een jaar of twintig.

„We gaan naar de PX”, zegt Michel. „Loop je mee?”

Ik loop mee.

„Het is vet oorlog hier”, zegt Michel. „Ik heb het van de Amerikanen gehoord.” Ik zwijg.

Opeens roept Rik: „Ik heb zo’n pesthekel aan die Afghanen. Er zullen ook best goede tussen zitten, hoor. En ze komen hier werken in het kamp, maar ze vertellen alles door.”

Ik zet mijn hoedje rechter. Om het gesprek te verluchtigen vraag ik: „Heb je een vriendinnetje, Rik?”

Rik lijkt lang niet gesproken te hebben. „Ik heb een ouder vriendinnetje”, zegt hij. „Ze heeft haar spiraaltje er nu uitgehaald en als ik terug ben dan gaan we meteen beginnen, dan is het misschien gelijk raak.”

We sjokken door het zand.

„Hiervoor had ik een jonger vriendinnetje”, zegt de korporaal. „Ik ben vaak vreemdgegaan, maar zes keer waarvan ze weet. Ik ben al twee keer getest. Negatief allebei de keren. Dan belde zo’n meisje en dan zei ze ‘ik heb iets’. Dan liet ik mooi mijn papiertje zien dat ’t niet van mij was. Maar dat jongere vriendinnetje had het er zelf ook naar gemaakt. Dan was ik bijvoorbeeld de hele dag met haar auto bezig geweest, omdat er een fietser tegenaan was gereden. Dan kwam ze thuis van het paardrijden en dan zei ik ‘Kun je nu iets voor mij doen?’ Dan zei ze ‘Ik ben moe’. En dan zei ik ‘Wat denk je dat ik ben? Denk je dat ik voor mijn lol de hele dag aan je auto heb zitten sleutelen?’ Nou, toen heb ik de deuk die ik eruit had gehaald er weer ingeschopt. Ik heb het in omgekeerde volgorde hersteld, zeg maar.”

De korporaal heeft een jongensachtig gezicht. Het wapen op zijn rug maakt hem alleen onschuldiger. „De dokter heeft gezegd dat ik me goed moet insmeren tegen de zon”, verklaart hij. „Wil je ook wat?”

In de PX zoekt sergeant Michel een slipje uit om aan zijn vriendin in Hongarije te sturen.

„Hoe weet je nou de maat?” vraagt de korporaal.

De sergeant begint te lachen. Uit het borstzakje van zijn uniform haalt hij een stuk textiel. Een onderbroek uit het Oostblok.

„Ze heeft het me gegeven”, zegt de sergeant, eerder verlegen dan trots, „en ik heb het altijd bij me, voor als er iets gebeurt.”

„Hoe oud is die Hongaarse van je?” wil Rik weten.

„Twintig”, zegt de sergeant, terwijl hij twijfelt want het aanbod damesondergoed is redelijk gevarieerd voor een kamp in Afghanistan.

„Jezus Christus”, zegt de korporaal, „heb jij je pedopas bij je?”

Die avond, terwijl ik voor mijn tent aan het telefoneren ben, hoor ik een object fluitend overvliegen. Enkele seconden later volgt een beschaafde explosie niet ver van mij vandaan. Dit moet een raketaanval zijn. Maar ik wacht op het luchtalarm voor de bevestiging. Na een halve minuut begint het luchtalarm.

De bunker lijkt me te ver weg, ik ga naar mijn eigen tent. Als ik het me goed herinner moet ik nu mijn scherfvest aan.

Majoor Erwin komt vlak na mij de tent binnengestormd. Hij wekt de indruk op mij te willen gaan liggen. Het is uiteraard niet gunstig om een journalist in een lijkenkist naar Nederland te vervoeren. Toch ben ik majoor Erwin dankbaar dat hij niet op me gaat liggen. Eerst drukt hij de helm op mijn hoofd, dan haalt hij die er weer af, helpt me in mijn scherfvest en drukt vervolgens de helm weer op mijn hoofd.

„En nou onder je bed gaan liggen”, roept de majoor.

Onder mijn bed is geen plaats, daarom ga ik op mijn bed liggen.

Luisterend naar het luchtalarm, maakt zich een krankzinnige vreugde van mij meester, een opwinding die ik nog nooit zo heb gevoeld.

Ze willen me doden, dus ik besta.

Defensie heeft dit verhaal gescreend op informatie die de veiligheid van de troepen in gevaar kan brengen. De tekst is op één punt aangepast.