De plaatsvervanger

Al zijn ze onzichtbaar, ze zijn onmisbaar voor de kunst. Deze zomer staan de stille krachten van de kunstwereld in de schijnwerpers. Deel 6: de locatiescout.

Het jachtslot St Hubert op De Eese, een buitenplaats in de buurt van Steenwijk, ziet er niet uit zoals je je het voorstelt. Het is een groot, rood houten huis, dat je eerder bij een Noorse fjord of een Fins meer verwacht dan op de grens van Drenthe, Friesland en Groningen, hoewel het ook daar bijna te groot en te rood voor is. „Het huis is in 1905 als bouwpakket uit Zweden gekomen’’, vertelt Nanouk Leopold. Zij is hier haar derde speelfilm, Wolfsbergen, aan het opnemen, een drama dat vier generaties van één familie treft. De films van Nanouk Leopold spelen zich vaak af op bijzondere plekken. Guernsey, een jaar geleden te zien op het filmfestival van Cannes, werd voor een deel opgenomen in een villa op het Kanaaleiland waarnaar de film vernoemd is. Die villa was zo grotesk modern dat hij de acteurs wegspeelde. Ook een blauw belichte supermarkt in Rotterdam slaagde daar in.

Over naar een locatie die minder bijzonder is: een bedrijventerrein in Amsterdam-Noord. Daar, op het niet-pittoreske deel van de Nieuwendammerdijk, is het kantoor van Paul Marbus, locatiescout van Wolfsbergen en een groot aantal andere Nederlandse films, televieseries en reclames. Op planken langs de muur staan rijen boeken over kastelen, molens en andere monumenten. Op tafel liggen knipselmappen. Het meest verse knipsel gaat over een zwembad. Voor elk soort locatie is een map. „Voor Wolfsbergen zochten we eigenlijk een heel ander soort huis’’, zegt Marbus. „Een zwaar, donker huis in Engelse landhuisstijl. Zulke huizen zijn in Nederland wel te vinden, aan de kust bij Wassenaar bijvoorbeeld. Maar inmiddels is het daar behoorlijk volgebouwd. En Leopold had nog een andere eis. Het huis moest vrij liggen, met natuur rondom.’’ Het jachthuis is dan ook niet door Marbus gevonden, maar aangedragen door Leopold en haar art-director Elsje de Bruin. „Zo gaat het vaker’’, zegt Marbus. „Soms verandert de regisseur van gedachten. Ook de locatiescout permitteert zich wel eens een voorstel dat afwijkt van de opdracht omdat hij tijdens het zoeken op iets stuit. Achteraf kun je je toch niet meer voorstellen dat een film ergens anders is opgenomen, terwijl er in eerste instantie naar iets heel anders werd gezocht.’

Het is al tijdens de opnames, eind juli, moeilijk voor te stellen dat het grote rode huis niet bepalend gaat worden voor de film. Ook als bekende acteurs als Jan Decleir, Tamar van den Dop en Fedja van Huêt ervoor staan, houdt het huis de grootste persoonlijkheid. Marbus laat zijn ervaring spreken: „In een film hoef je het bijzondere van een locatie niet per se terug te zien. In het begin was ik daar wel eens teleurgesteld over. Van een dag filmen houd je misschien drie minuten materiaal over. En dan nog sneuvelt er van de locatie veel in de montage, of zijn de kaders krapper dan je had gedacht. Voor de eigenaars van een locatie is dat soms even slikken. Ze willen laten zien wat voor moois ze hebben. En dan zien ze daar in de film nauwelijks iets van terug.’’

Marbus vindt het inmiddels misschien wel leuker om een locatie te vinden die niet zo bijzonder is. Dat geldt zeker voor historische films. Kastelen zijn er nog wel, krotten niet. „Iets wat eenvoudig lijkt, is vaak moeilijker te vinden.’’

Soms is het juist aardig als een locatie opnieuw gebruikt kan worden. Voor de film Floris van Jean van de Velde werd gefilmd bij kastelen in Engeland en België. Voor het kasteel van de ouders van de nieuwe Floris werd kasteel Doornenburg in de Betuwe gebruikt, dat ook voorkomt in de tv-serie.

Locatiescouts bestonden twintig jaar geleden nog nauwelijks in Nederland. Meestal deed de art-director het er zo’n beetje bij. Marbus (Amsterdam, 1960) was een van de eersten die er een apart beroep van maakten. Toeval, zegt hij. „Ik ben bij de film begonnen als runner [productieassistent] toen ik psychologie studeerde, begin jaren negentig. Toen kwam de functie pas op in Nederland. Nu werk ik met een aantal andere scouts samen in het bedrijf Goedzoekers.

„Mijn eerste grote speelfilm was Karakter van Mike van Diem, in 1995, naar het boek van Bordewijk. Ik kreeg de opdracht: zoek uit waar daar een film van gemaakt kan worden. Ik liet foto’s maken op verschillende plekken die geschikt leken, die dan bezorgd werden door een koerier. Polen was veelbelovend. De sfeer die Karakter nodig had, leek in Wroclaw, het vroegere Breslau, nog aanwezig. Het voormalige Oostblok is voor films die zich in het verleden van West-Europa afspelen, een goudmijn, al wordt het nu ook daar steeds moeilijker historische locaties te vinden en wordt het steeds duurder om ze te filmen. Amerikaanse producties zoals Schindler’s List hebben er dollars gemorst.’’

De romantiek van het vak is door de komst van internet een beetje verdwenen. „Vroeger reden we vaak rond. Nu zit ik zeker de helft van de tijd achter de computer. Internet heeft ons werk vergemakkelijkt. Voor een Duits filmpje zocht ik bijvoorbeeld een openbare weg die midden op een huis uitkomt in een verder lege omgeving. Er mochten zelfs geen boompjes staan. Dat zie je niet op topografische atlassen. Op Google Earth wel. Maar met Internet alleen kom je er niet. Je moet veel contacten hebben, bijvoorbeeld met architecten en, omdat mijn specialisme de historische film is, met historici. Je bouwt een netwerk op, en een archief.’’

Een groot deel van Marbus’ opdrachten zijn reclamefilms. „In de reclame is meer mogelijk. Er is meer geld. Bij film wordt vaak gevraagd: we hebben morgen een kasteel nodig, maar het moet wel in Amsterdam staan.’’ Het zoeken blijft een uitdaging. Je hoopt altijd nog een verborgen schat te vinden.’’