De aarde en de maan zijn maakbaar

Gerard ‘t Hooft: Planetenbiljart. Bert Bakker, 183 blz. €16,95

Als jochie van negen bouwde Gerard ’t Hooft niet alleen zijn eigen vliegers, maar ontwierp hij ook ruimteschepen. In gedachten probeerde hij daarmee andere ruimteavonturiers – schrijvers van sciencefiction-boeken – voor te blijven. Tot hij erachter kwam dat zij vals speelden, door zich niet aan de natuurwetten te houden: ‘Als alles kan en mag, is sciencefiction eigenlijk niet leuk meer.’

Via een wormgat reizen in de tijd of langs telepathische weg communiceren is uitgesloten. Maar wat kan er dan allemaal wél? Die vraag vormt het uitgangspunt van ’t Hoofts boek Planetenbiljart. Het is een terugkeer van de hard core theoretisch fysicus (en Nobelprijswinnaar) naar de verwondering van zijn jeugd: speculeren over de technologie van de toekomst door op zoek te gaan naar de mazen van de natuurwetten.

Hoewel ’t Hoofts speculaties niet altijd origineel zijn, is het een charmant boek. Hoe reis je het meest efficiënt door de ruimte? En hoe ziet de computer of de krant van de toekomst eruit? Ondanks zijn wat droge, schoolmeesterachtige stijl slaagt hij er goed in de essentie van dit soort ontwikkelingen te schetsen.

Een onderwerp dat hem na aan het hart ligt is dat van de maakbare aarde. Hij is er van overtuigd dat we met onze wetenschappelijke kennis grip kunnen krijgen op het klimaat, en het beter op onze behoeften kunnen afstemmen. Met vliegers of kilometershoge schoorstenen is het bijvoorbeeld mogelijk windenergie op te wekken en tegelijkertijd neerslag te stimuleren.

Zelfs de maan kan met behulp van zelfreproducerende robots worden gekoloniseerd. Het vestigen van zo’n permanente basis op de maan acht hij belangrijker dan elk ander ruimteavontuur (naar Mars bijvoorbeeld): de sterrenkunde, elementaire deeltjesfysica, de industrie en het toerisme zouden er volgens hem allemaal voordeel van hebben. Bovendien zou zo’n uitvalsbasis essentieel zijn voor verder onderzoek van het zonnestelsel.

’t Hooft heeft zich tot doel gesteld iedereen met wat boerenverstand te laten delen in zijn toekomstvisie. Dat is een lovenswaardig streven, al is zijn angst om daarbij de lezer van zich te vervreemden met formules of al te ingewikkelde theorieën vaak wel erg groot. Aan de andere kant gaat zijn fantasie wel eens met hem op de loop en ontaarden zijn voorspellingen in vrijblijvend geklets – niet helemaal onverwacht in een hoofdstuk over biologie, een onderwerp waar hij zich naar eigen zeggen ‘minder geremd voelt door kennis van zaken.’

Het is dit soort eerlijkheid die je voor hem inneemt.