Amerika kan Somalië nu niet vergeten

Somalië staat op het punt het vierde front te worden in de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme, meent Mike Clough. President Bush heeft volgens hem weinig speelruimte.

In oktober 1993 werden Amerikaanse commando’s van de Delta Force en de landmacht in de Somalische hoofdstad Mogadishu gedropt om twee adjudanten van een Somalische krijgsheer gevangen te nemen. De missie slaagde, maar Somalische milities haalden twee Black Hawk-helikopers neer. Bij het daarop volgende vuurgevecht kwamen achttien Amerikanen om het leven.

Met afgrijzen zag de Amerikaanse bevolking op de televisie hoe het lichaam van een landmachtcommando door de straten werd gesleept. Niet lang daarna liet president Clinton het land aan zijn lot over, en Somalië raakte vrijwel in vergetelheid tot deze tragische geschiedenis in 2001 werd opgehaald in de film Black Hawk down.

Nu staat Somalië op het punt het vierde front te worden in de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme. Net als in Afghanistan, Irak en Libanon maken de Verenigde Staten deel uit van een soort bondgenootschap tegen radicale islamitische fundamentalisten.

Onlangs heeft de Opperste Raad van Islamitische Gerechtshoven – een groeiende alliantie van islamitische strijders – door de VS gesteunde krijgsheren op de vlucht gedreven en Mogadishu ingenomen. Ze probeert een federale overgangsregering omver te werpen die wordt gesteund door de Afrikaanse Unie, maar die alleen de stad Baidoa in haar macht heeft.

Langs de zijlijn staat het door de Verenigde Staten gesteunde regime in Ethiopië, dat graag voorop wil gaan in de strijd tegen de radicale islam, die mogelijk banden heeft met Al-Qaeda. Er zou in de Hoorn van Afrika snel een oorlog om zich heen kunnen grijpen die net zoveel mensenlevens kost als het conflict tussen Israël en Hezbollah.

In veel opzichten is dit jongste front in de oorlog tegen het terrorisme de kroon op een beleid van Washington in de Hoorn van Afrika dat bijna dertig jaar lang heen en weer is geslingerd tussen blunders en verwaarlozing. Als gevolg van die voorgeschiedenis beschikken de Verenigde Staten in een verslechterende situatie nauwelijks over goede opties.

De Amerikaanse misstappen in de regio gaan terug tot 1977, toen de beleidsmakers Somalië stilzwijgend – en dwaas genoeg – aanmoedigden om te profiteren van de politieke instabiliteit in de Ethiopische hoofdstad om de macht te grijpen in de Ethiopische, door Somaliërs bewoonde streek Ogaden.

Die manoeuvre liep op een fiasco uit toen sovjet- en Cubaanse troepen het marxistische regime in Addis Abeba te hulp schoten, waardoor Ethiopië Moskous ferventste bondgenoot in Afrika werd. In reactie daarop heeft Washington toen het schurkachtige bewind van Siad Barre in Somalië bewapend.

Na het einde van Koude Oorlog sloeg het Amerikaanse beleid ten aanzien van Somalië van intense betrokkenheid om in onverschilligheid. De hulp werd gestopt, Barre werd afgezet en het land zonk weg in anarchie.

In 1992 publiceerde de New York Times foto’s van hongerlijdende kinderen in Baidoa, waarop de toenmalige president George H. W. Bush Amerikaanse troepen onder auspiciën van de Verenigde Naties naar Mogadishu stuurde om voedsel uit te delen. Het was een nobel humanitair gebaar, maar uiteindelijk een dwaling.

De meeste deskundigen waren tegen Amerikaans ingrijpen in Somalië, want zij dachten dat de hongersnood ten einde liep en dat de aanwezigheid van Amerikaanse militairen de conflicten tussen concurrerende krijgsheren, die de hulpverlening bemoeilijkten, alleen maar erger zou maken.

Dat hadden ze goed gezien.

Toen de strijd tussen de Somalische krijgsheren steeds heviger werd, begonnen de regering-Clinton en de Verenigde Naties besprekingen over de opbouw van het land. Het werd nooit duidelijk wie bereid was om de orde te gaan herstellen, maar alleen al de mogelijkheid dat de Verenigde Staten of de Verenigde Naties dat zouden kunnen proberen, maakte hen tot doelwit.

Het incident met de Black Hawks maakte abrupt een einde aan de opbouwplannen, en Somalië werd opnieuw vergeten.

Intussen had Clinton de Ethiopische regering van premier Meles Zenawi ontdekt als politieagent voor de regio. Meles gold als een doortastende hervormer, die samen met andere ‘nieuwe Afrikaanse leiders’ als rolmodel zou kunnen dienen, waaraan grote behoefte was in dat geteisterde werelddeel. Hij zegde ook zijn steun toe aan heimelijke acties om in de regio opererende cellen van Al-Qaeda op te sporen – dat was voor Washington speciaal van belang na de bomaanslagen op Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania in 1998.

Zo werd de basis gelegd voor het conflict dat zich thans in de Hoorn van Afrika ontrolt. De chaos in Somalië – resultaat van jaren van nu eens wel en dan weer geen Amerikaanse bemoeienis – bood de islamitische strijders de gelegenheid voet aan de grond te krijgen in een land waar de religie van oudsher veel minder zwaar weegt dan familiebanden. Clintons warme steun aan Meles – en het feit dat president George W. Bush na ‘9/11’ de banden met Ethiopië heeft aangehaald – heeft de Ethiopische premier gesterkt in zijn overtuiging dat hij de politieke toekomst van Somalië kan dicteren.

Als Ethiopië, dat een groot, gematigd islamitisch volksdeel heeft, een stabiele democratie was, met het vaste voornemen om Somalië te helpen op de weg naar de democratie, was de strategie van Clinton en Bush zinnig geweest. Maar dat is Ethiopië niet. Naar de Human Rights Watch vorig jaar aan de vooravond van de parlementaire verkiezingen meldde, was het regime-Meles, om aan de macht te kunnen blijven, hard opgetreden tegen de merendeels vijandige oppositie in de regio Oromia. Sedert die verkiezingen zitten veel leiders van de oppositie die in het parlement gekozen zijn, in het gevang.

Nu de kans op oorlog in de Hoorn van Afrika toeneemt, heeft president Bush weinig speelruimte. Hij zou de opkomst van een anti-Amerikaans islamistisch Somalië kunnen accepteren. Hij zou een Ethiopische interventie ten behoeve van de overgangsregering in Baidoa kunnen steunen, wat tot een bloedige oorlog zou leiden. Of hij zou kunnen proberen een andere Afrikaanse regering over te halen de overgangsregering militair te steunen.

Geen van deze alternatieven is bijzonder aanlokkelijk, voor zover ze al uitvoerbaar zijn. Ditmaal lijkt het niet mogelijk Somalië te vergeten.

Mike Clough was van 1987 tot 1996 hoofd van het Afrikaprogramma van de (Amerikaanse) Council on Foreign Relations, en meer recent hoofd Voorspraak voor Afrika van de Human Rights Watch; hij is auteur van ‘Free at last? United States policy toward Africa and the end of the Cold War’© LATimes/WP