Zenuwcentrum

Als je niet beter wist zou je denken dat het café van Conceição een duister dorpswinkeltje was. Tegen de tap leunt een koelvitrine met een merkwaardig assortiment van yoghurt, geitenkaas, chocoladerepen en sinaasappels. Bovenop de vitrine liggen broodjes en uitstaldozen met kauwgom. Er staat een speciale koelkast voor bier en Lipton Ice Tea en een speciale kast voor de kinderijsjes. Verder tref je in de ruimte, nauwelijks groter dan een arbeiderswoonkamer, een rek voor de gasflessen aan en een middelgrote wijnton. Tussen dit alles voert een looppad van straatdeur naar achterkamer, waar zich toilet en kookfornuis bevinden, zodat er nauwelijks plaats is voor de tafeltjes en stoelen die voor een café onontbeerlijk zijn.

Om te zwijgen van de nog onontbeerlijker stamgasten, de dorpsoudsten en de dorpshangjongeren.

’t Kan er allemaal in. ’t Is een lappendeken, daar onder de flakkerende neonlichten. Een kruising tussen een schuilkelder en de Winkel van Sinkel.

Wie nauwkeurig oplet komt erachter dat het café van Conceição niet zomaar een dorpswinkeltje is, maar een zenuwcentrum. Altijd is er een exemplaar aanwezig van het laatste nummer van de lokale krant, de Koerier van de Bergprovincie, royaal gevuld met nieuws uit de gemeenteraden en met verslagen van de sociale activiteiten van de Vrijwillige Brandweer, ontplooid in tijden dat het niet brandt. Alle roddels van Vila Pouca passeren het café. De verhouding tussen inkomende en uitgaande roddels zal twintig-tachtig zijn. Postpakketten worden er afgegeven en gedistribueerd. Er hangt een munttelefoon. In de achterkamer worden middagmaaltijden opgediend voor de landarbeiders. De stamgasten vormen een raad der wijzen, waarbij de hangjongeren net zo luid meekakelen. Een schervengericht zonder scherven.

Vanmorgen overleed in het dorp een oud besje. Negenentachtig werd ze. Geen krediet meer. Haar bijnaam luidde A Poeta, de dichteres. Niemand wist waarom.

„ Schreef ze vroeger gedichten?” vroeg ik aan Conceição.

„ Niet dat ik weet.”

Niemand in het café wist iets van een eventueel gedicht of wat daarop leek.

„ Kon ze mooi vertellen misschien? Verhalen? Was ze daar dan goed in?”

„ Geen idee.”

Soms schiet wijsheid, zelfs in plenaire vergadering bijeen, niet op.

Ironside zetelt in zijn rolstoel middenin het looppad. De dorpelingen noemen hem Ironside, het moet iets van heel vroeger zijn. Hij is een jaar of vijftig, maar nog echt een jongen. Hij is altijd hartelijk en stelt in iedereen belang. Toen hij tien was werd hij op de hoofdstraat aangereden en sindsdien zijn z’n benen verlamd.

Als de mannen ’s middags buiten zitten zetelt hij naast hun bank. Als ze binnen zitten resideert hij op het looppad.

Een paar jaar geleden kreeg Vila Pouca straatverlichting. Voor het eerst zag ik hem in het gelige schijnsel over de doodstille straat rijden, met zijn handen de luchtbanden voortbewegend. Het moet een uur of vier ’s nachts zijn geweest. Hoeveel jaren deed hij dat al?

Pas was er weer een ongeluk. Manuel, de held van de Vrijwillige Brandweer en vriend van het glas, reed tegen een boom, net buiten de dorpsgrens. Binnenkort zal Ironside gezelschap krijgen in het maanlicht.

Gerrit Komrij