Vrijheid door beschaving bedreigd?

Er zijn nog mensen die zich herinneren dat het gebrom van de geallieerde bommenwerpers die, over het bezette Nederland vliegend, dood en verderf over de Duitse steden gingen brengen, hun als muziek in de oren klonk. En er zijn nog mensen die dankbaar zijn dat de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki de oorlog verkort hebben en dat zij zo de Japanse kampen hebben kunnen overleven – om niet te spreken van de talloze Japanners (burgers en militairen) en Amerikaanse soldaten die daardoor ook aan de dood ontkomen zijn.

Zijn die mensen daarom cynisch of amoreel? In verreweg de meeste gevallen niet. Er blijkt alleen maar uit dat iemands moraliteit niet alleen afhankelijk is van de plaats en tijd waarin hij leeft, maar ook van de mate van zijn betrokkenheid bij het conflict dat om zijn keuze vraagt. Daarom denken Israëliërs en Arabieren anders over het geweld dat in Libanon en Noord-Israël heeft gewoed, dan, over ’t algemeen, Nederlanders vanuit hun betrekkelijke veiligheid.

De laatsten zullen dan ook (weer: over ’t algemeen) geschokt zijn door wat Martin van Creveld, alom gerespecteerd Israëlisch schrijver over strategische zaken, op 5/6 augustus op de Opiniepagina van deze krant schreef: „Wat men in Brussel en in andere EU-hoofdsteden ook mag zeggen, het probleem in Libanon is niet dat de Israëliërs buitensporig geweld gebruiken. Integendeel, het probleem is de verregaande onwil waarvan zij in de loop van de jaren telkens weer blijk hebben gegeven om genoeg geweld te gebruiken om het probleem eens en voor al op te lossen – om te doen wat er gedaan moet worden, zonder uitleg en zonder excuses.

„Deze onwil is ten dele ingegeven door gegronde angst voor veroordeling door de internationale gemeenschap. Ze berust echter grotendeels op het simpele feit dat het Israëlische leger, dat bestaat uit gewone Israëlische burgers, domweg niet capabel is om te doen wat koning Hoessein van Jordanië in 1970 jegens de Palestijnen heeft gedaan, en president Hafez Assad van Syrië in 1982 jegens hun eigen onderdanen – beide malen met groot succes.” (Beide malen werden tienduizenden, militairen en burgers, planmatig over de kling gejaagd.)

Niet dat Van Creveld bepleit dat Israël het voorbeeld van Hoessein en Assad zal volgen. Israël is daar, als democratisch land, gewoon niet toe in staat. In de International Herald Tribune van 3 augustus schreef hij dan ook: „Als de geschiedenis ons iets leert, dan is het dat Israël niet in staat zal zijn een volledige overwinning te behalen door de Hezbollah uit te schakelen; vrede wordt bereikt door onderhandeling, niet door kracht van wapenen.” Het feit dat Israël niet het doel van zijn actie tegen Hezbollah heeft bereikt – in de eerste plaats vrijlating van twee ontvoerde Israëlische soldaten – lijkt hem gelijk te geven.

Dat brengt ons op de vraag: „Is the West too civil in war?”, kop boven een artikel van Cathy Young in diezelfde krant (11 augustus). Is het Westen te beschaafd om oorlog te voeren? Die vraag koppelt zij aan het verschijnsel dat pas in de Vietnamoorlog een factor van soms beslissende betekenis werd: de alomtegenwoordigheid van de media, die de oorlog direct in de huiskamer brachten (en daardoor president Johnson in 1968 dwongen zich niet herkiesbaar te stellen).

„Hoe zouden de Amerikanen gereageerd hebben als zij tijdens de Tweede Wereldoorlog dagelijks geconfronteerd waren geweest met lijsten van gesneuvelde Amerikanen en met beelden van dode en gewonde Duitsers, incluis kinderen en oude mensen? Hoe zou het publiek gereageerd hebben als het even geschokt zou zijn geweest door zowel Amerikaanse als Duitse slachtoffers als we nu geschokt zijn door Amerikaanse en Iraakse (of Libanese) slachtoffers? Zou er dan nog sprake zijn van een vrije wereld?”

Met andere woorden: kan onze beschaving onze vrijheid in gevaar brengen? Bindt onze beschaving niet onze eigen handen – vooral tegenover een meedogenloze vijand?

Cathy Young acht die vragen wel legitiem, maar vreest dat we ons met die discussie op een hellend vlak bevinden. Die discussie dan maar stopzetten? De morele en andere dilemma’s dan maar niet onder ogen zien? Helpen we onze vrijheid daarmee?

Van Creveld ziet die dilemma’s wél onder ogen. In een interview in de Groene Amsterdammer van 31 maart 1999 noemt hij de liberale staat met liberale burgerrechten „een luxe die alleen mogelijk is bij interne vrede en samenhang. Het is een triest dilemma: ruil je vrijheid voor veiligheid? En het antwoord is: ja. Ik heb in de Verenigde Staten en Israël gezien dat mensen dat uiteindelijk altijd doen. Ook in West-Europa lijken mensen daartoe bereid.” Ja, maar mensen zijn alleen bereid een andere keuze te doen als ze zich in hun eigen veiligheid bedreigd voelen. En dat doen de mensen in West-Europa nog niet.

Wie zorgt voor die veiligheid? Dat is nog altijd de taak van de staat, maar die is zich over de hele linie aan het terugtrekken uit het leven van de burger. Dat is de these van Van Crevelds boek The Rise and Decline of the State (1999). In de meeste westerse landen zijn de burgers ook ontslagen van de dienstplicht en is de staat afhankelijk van beroepsmilitairen, met gevolgen die we o.a. in Irak hebben kunnen zien.

In Israël is het nog een volksleger dat vecht, ook met de gevolgen van dien: voor het echte vuile werk op de grond zijn gewone dienstplichtigen niet – of althans: niet lang – geschikt. Daar maken minder scrupuleuze tegenstanders natuurlijk gebruik van.