Te weinig geld voor algemeen nut

Met onderzoek naar de dagelijkse medische praktijk is veel leed te voorkomen en geld te besparen. Maar niemand voelt zich geroepen er veel voor te betalen. De overheid niet, de verzekeraars niet. Vijftien hoogleraren maken zich zorgen.

hester van santen

Wat is de beste manier om te dikke kinderen te helpen afvallen? Zijn suikerpatiënten beter af in praktijken waar allerlei specialisten bij elkaar zitten? En hoe gaan artsen om met het euthanasiebeleid?

Belangrijke praktische vragen voor de volksgezondheid. Maar om ze te beantwoorden is meer onderzoeksgeld nodig. En daarom moeten ziektekostenpremies worden verhoogd. Dat idee opperden vijftien Nederlandse hoogleraren gezondheidswetenschap deze zomer. Ze maken zich zorgen om de financiering van hun studiegebied, dat draait om vragen uit de dagelijkse medische praktijk.

Die zorgen om praktisch volksgezondheidsonderzoek zijn niet nieuw. De Raad voor het Gezondheidsonderzoek (RGO), een adviesorgaan van het ministerie van VWS, constateerde drie jaar geleden al ‘lacunes’ in de financiering. Maar minister Hoogervorst gaf vorige week een kort antwoord op de vraag of er dan een fonds uit de premies moet komen. „Nee”, schreef hij op een Kamervraag van SP-Kamerlid Agnes Kant.

Voor gezondheidswetenschappen is veel minder geld beschikbaar dan voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen, of nieuwe apparaten. Geen bedrijf investeert in de vraag of patiënten ook toe kunnen met een pil die al vijftig jaar op de markt is. De belangrijkste financier voor gezondheidsonderzoek is daarom de overheid via de ministeries van VWS en OCW.

„Die pot is de afgelopen vijfentwintig jaar enorm gekrompen”, zegt de Amsterdamse hoogleraar epidemiologie Lex Bouter, een van de indieners van het plan. Een belangrijke geldbron was het fonds ontwikkelingsgeneeskunde, bij de voorganger van het huidige College voor Zorgverzekeringen. Dat fonds had elk jaar 36 miljoen gulden. Nu beheert overheidsorganisatie ZonMw (Zorgonderzoek Nederland / medische wetenschappen) het geld, maar heeft daarvoor elk jaar nog slechts het equivalent van 27 miljoen gulden: 12,2 miljoen euro.

Directeur Henk Smid van ZonMw is het deels eens met de kritiek. Hij vindt dat er voor toegepaste programma’s, zoals preventie, wel genoeg geld is. Maar voor fundamentele gezondheidswetenschap, zoals epidemiologische studies, niet. „Er zijn voorstellen die als ‘zeer goed’ beoordeeld worden, en toch niet gefinancierd kunnen worden. En dat tekort is geen nieuw probleem, we signaleren het al bijna tien jaar.”

Een nieuw fonds, betaald uit de ziektekostenpremies, moet volgens de vijftien hoogleraren de gaten dichten. „Vanwege (...) het grote belang van doeltreffende en doelmatige zorg ligt een substantiële bijdrage van ziektekostenverzekeraars voor de hand”, schrijven ze in een toelichting. Bouter, van het VU medisch centrum: „Als we een fonds oprichten uit de verzekeringspremies, hebben alle verzekeraars er wat aan, want de zorg wordt beter en efficiënter.”

De hoogleraar schat het benodigde extra geld, met de natte vinger, op enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar. De jaarlijkse premie-inkomsten van alle zorgverzekeraars samen bedraagt ruim 7 miljard. Onderzoek, betogen de wetenschappers, voorkomt dure en nutteloze behandelingen.

Maar een gezamenlijk fonds? Hoogervorst ziet er niets in. Hij ondersteunt het idee om verzekeraars uit te nodigen om geld te steken in studies, maar schrijft ook dat er ‘geen argumenten’ zijn om vanuit VWS meer geld beschikbaar te stellen, gezien de productie en wetenschappelijke resultaten van de universiteiten.

„Een slecht idee”, is ook het eerste dat woordvoerder Walter Annard van de koepelorganisatie Zorgverzekeraars Nederland erover zegt. „We vragen ons dan af: in hoeverre komt dat geld ten goede aan de eigen verzekerden?” Concurrentieoverwegingen spelen mee, zo geeft Annard toe. „Maar het gaat vooral om het principe: de premies zijn voor dekking van behandelingen. Als je iets wilt doen voor het algemeen belang, dan moet dat uit belastinggeld betaald worden.”

Als individuele verzekeraars er wel in willen investeren, zegt hij, moeten ze dat zelf weten. Zo heeft verzekeraar Agis samen met de Universiteit Utrecht een aanpak onderzocht om het gebruik van maagzuurremmers te verminderen. En CZ bedenkt samen met de Radboud Universiteit in Nijmegen een manier om de kwaliteit van huisartsenzorg te meten.

Wiro Gruisen, manager zorg-innovatie bij CZ: „Uiteindelijk zijn investeringen in onderzoek ook investeringen in goede zorg. Ik kan me bij zo’n fonds wel iets voorstellen. Het is een goed voorbeeld van gereguleerde concurrentie. We willen dan wel zelf bepalen wat we met dat geld onderzoeken, zodat we bijvoorbeeld de nadruk kunnen leggen op patiëntengroepen waar we contacten mee hebben.”

Directeur Henk Smid van ZonMw: „Ik vind financiering uit de premies een aantrekkelijk idee, maar ik denk dat het voor hen op dit moment een brug te ver is. Mijn lijn is: begin nou niet direct een apart fonds, maar zoek binnen lopende programma’s aansluiting met zorgverzekeraars.” „En ze zouden bijvoorbeeld ruimhariger therapieën en preventieprogramma’s kunnen financieren, als de patiënten meedoen aan een onderzoek.”