Niet iedereen moet ingenieur worden

Anders dan tot dusver gedacht, wordt het probleem aan de onderkant van de arbeidsmarkt eerder kleiner dan groter. Juist de middengroepen zijn kwetsbaar, menen Ernst van Koesveld en Pieter van Winden.

In de aanloop naar de verkiezingen zullen we bestookt worden met recepten voor meer werk. De effectiviteit van een recept staat of valt met een juiste diagnose.

Voor sommigen is de diagnose van de arbeidsmarkt snel gemaakt: technologische vooruitgang en globalisering zetten de onderkant van de arbeidsmarkt steeds meer onder druk. Er dreigt een groeiende onderklasse van kanslozen te ontstaan.

De oplossing is zo mogelijk nog sneller gegeven: subsidies voor werkgevers om laagopgeleiden in dienst te nemen en meer, veel meer scholing. Door scholing zou de Nederlandse werknemer de strijd tegen zijn Indiase concurrent of tegen een nieuwe computer moeten winnen. En niet onbelangrijk: de loonverschillen lopen dan niet te sterk op.

Er zijn goede redenen om dit schrikbeeld bij te stellen. Ten eerste blijkt uit steeds meer onderzoek dat niet laagopgeleiden maar middelbaar opgeleiden het slachtoffer zijn van de ICT-revolutie en internationale concurrentie. Zij doen immers vaak routinewerk dat door een computer of Indiër kan worden overgenomen.

Ook kan hun werk steeds beter worden ‘geknipt’. Neem de baliemedewerkster op Schiphol: het inchecken doen reizigers zelf via de computer, terwijl weinig scholing vereist is voor fysieke afhandeling van de bagage. Voor het handwerk, veelal verricht door laagopgeleiden, ligt dat anders: naar de kapper in India is voor ons te duur en een robot kan geen bus besturen of een drankje serveren in hartje Amsterdam.

Ten tweede groeit de vraag naar eenvoudige dienstverlening als mensen meer verdienen en meer taken uitbesteden. Nederland profiteert hier echter te weinig van in vergelijking met de VS. Hoogopgeleide Amerikanen hebben weinig vrije tijd en een hoog uurloon. Vrij nemen om je huis te schilderen is al gauw duur en het inhuren van hulp relatief goedkoop.

Zeker zo belangrijk: Amerikanen hebben er geen moeite mee hun schoenen te laten poetsen of hun huis te laten schoonmaken. Hoogopgeleide Nederlanders hebben daarentegen veel vrije tijd en hun netto-uurloon is niet veel hoger dan de brutoloonkosten per uur aan de onderkant. In Nederland schildert een minister nog zijn eigen huis.

Dit is niet alleen een kwestie van geld – de ‘huishoudhulpregeling’ kan hiervoor soelaas bieden – maar ook van burgermoraal: wij vinden eenvoudig werk veelal laagwaardig en degraderend. Het gevolg is wrang: het kan weleens zo zijn dat we uiteindelijk het ontstaan van een onderklasse in de hand werken die we juist willen voorkomen.

De derde reden heeft betrekking op het arbeidsaanbod. De huidige schoolverlaters zijn gemiddeld beter opgeleid dan hun ouders. In 1975 was tweederde van de beroepsbevolking laagopgeleid, nu is dat nog maar eenderde. Ondanks het stijgende opleidingsniveau zijn de tekorten aan de top van de arbeidsmarkt toegenomen. De rendementen op scholing groeien sinds enkele jaren weer.

Schaarste en stijgende lonen aan de top – en dus niet overschotten en achterblijvende lonen aan de onderkant – verklaren waarom de loonongelijkheid in de VS en in mindere mate ook in Nederland de laatste vijftien jaar is toegenomen. Hierbij zijn de middelbaar geschoolden het kind van de rekening: hun relatieve inkomenspositie verslechtert.

Dit betekent niet dat er geen probleem is aan de onderkant van de arbeidsmarkt; de werkloosheid is er tweemaal zo hoog als gemiddeld. Het betekent wel dat er een betere diagnose moet komen: het probleem aan de onderkant wordt eerder kleiner dan groter en het middenrif van de arbeidsmarkt is kwetsbaarder dan we tot dusver hebben aangenomen. Het recept is niet dat iedereen ingenieur moet worden. De race tegen de computer en Indiër valt niet te winnen, maar aanpassingsvermogen, creativiteit en sociale vaardigheden zijn essentieel om werk te vinden op de groeiende markt voor persoonlijke dienstverlening.

Dit vraagt om een andere benadering in het onderwijs, waar deze vaardigheden zo vroeg mogelijk moeten worden bijgebracht. Ook blijven prikkels en begeleiding nodig, zodat (potentiële) werklozen, ongeacht hun opleidingsniveau, de nieuwe kansen grijpen.

Dit impliceert wel dat we moeten accepteren dat de inkomensverdeling uiteindelijk schever kan worden. Hooggeschoolden gaan meer verdienen, de middengroepen vangen de klappen op, terwijl de druk op de onderkant kan meevallen. Maar dit kan ook een gunstig neveneffect hebben, omdat dit ook weer leidt tot meer vraag naar persoonlijke diensten.

We worden steeds meer een diensteneconomie, en daar is niets mis mee. Die trend is decennia geleden ingezet en heeft ons geen windeieren gelegd.

Ernst van Koesveld en Pieter van Winden zijn werkzaam op het ministerie van Financiën.