Nasrallah heeft in het stof moeten bijten

Hezbollah is dan wel niet beslissend verslagen, het is uit de jongste strijd militair verzwakt en diplomatiek geruïneerd tevoorschijn gekomen, betoogt Shimshon Arad.

Geen oorlog van Israël heeft ooit op de vorige geleken. Ze hebben allemaal hun ups and downs gehad, maar sinds de Suez-oorlog van 1956 en vooral sedert de Zesdaagse Oorlog, nu bijna veertig jaar geleden, is de neiging van politici en generaals om gemakkelijk overmoedig te worden toegenomen.

De veronderstelling dat een oorlog zou kunnen uitlopen op een overwinning stoelde deels op een oprechte, weloverwogen overtuiging, maar soms ook op politieke motieven. Dat is geen Israëlische uitvinding. Landen die oorlogen hebben gevoerd, vooral als ze die hebben gewonnen, neigen onveranderlijk tot arrogantie, waarbij een gezond oordeel wordt aangetast door wensdromen over onbereikbare doelen. Journalisten en militaire commentatoren op de tv en in de pers dragen het hunne bij aan dit wensdenken – soms aan de leiband van politici of hoge ambtenaren, meermalen gewoon door hun eigen opgeblazen ego te manipuleren.

Toen op 12 juli de oorlog in Libanon uitbrak, stond buiten kijf wie hem had veroorzaakt. Er waren twee Israëlische soldaten ontvoerd vanuit Israëlisch gebied, en tegelijkertijd had Hezbollah Israëlische dorpen en steden met raketten bestookt. Het Israëlische publiek en de meerderheid van de internationale gemeenschap beschouwden de onmiddellijke repliek van Israël daarom als gerechtvaardigd. De vraag naar ‘proportioneel’ of ‘disproportioneel’ geweld van de reactie stak pas een paar dagen later de kop op. Spoedig klonk de eerste roep om een staakt-het-vuren, en die roep was tamelijk gelijk verdeeld over de partij die de aanval was begonnen – op instigatie van Hezbollahs beschermheren en wapenleveranciers, namelijk Iran en Syrië – en het belaagde Israël.

De meeste wereldleiders verklaarden telkens weer dat Israël „het recht had om zich te verdedigen’’, zonder daarbij ooit de tekst van de relevante internationale wetten te raadplegen. Met uitzondering van Bush, Blair en misschien nog een of twee andere leiders beperkten de ongeduldige politici zich vooral tot het roepen om een ‘staakt-het-vuren’, zonder zich te bekreunen om het recht van het land dat het doelwit van de hevige agressie was, om de aanvallers te treffen en zo mogelijk verliezen toe te brengen. Ineens werd de boosdoeners – in dit geval Hezbollah en natuurlijk zijn beschermheren – onschendbaarheid toegekend, ondanks hun rechtstreekse bijdrage aan de ravage die in Libanon werd aangericht.

Enkele Europese politici en journalisten raakten overstuur, verloren de verhoudingen uit het oog en speelden onbedoeld de fanatieke handlangers van Iran en Syrië in de kaart. Meer dan eens klonk het alsof in Europa de geest van Chamberlain weer tot leven was gewekt.

Ten slotte wist de verdediging van Israël tegen de 12.000 projectielen en raketten die Hezbollah van Iran en Syrië gekregen had, niet alle doelen te bereiken die de Israëlische regering en haar strijdkrachten zich gesteld hadden. Hoe kon dat, vroeg men zich af.

Terugdenkend aan de militaire prestaties van juni 1967 en de slotfase van de Jom Kippoer-oorlog van 1973 werden vragen gesteld over welhaast ieder aspect van de besluitvorming, over de effectiviteit en de beperkingen van de luchtoorlog en over het dilemma of, en zo ja wanneer, grondtroepen hadden moeten worden ingezet.

Konden de raketaanvallen worden gestopt zonder grondtroepen? En als er grondtroepen zouden worden ingezet, dan zouden er twee, drie divisies moeten worden opgeroepen en naar het noorden gestuurd. Heeft het militaire opperbevel de premier zulke acties voorgesteld, en in welke fase was dat? En hadden de regeringsleiders zelf niet een paar ideeën om aan de militaire specialisten voor te leggen?

Leiderschap is dezer dagen nergens te koop. Een paar uitzonderingen daargelaten worden de meeste landen tegenwoordig bestuurd door doorsnee politici.

Jammeren over de afwezigheid van grote leiders heeft geen zin. Zelfs als er eventuele kandidaten zijn, bevinden zij zich niet noodzakelijkerwijs in een politieke positie om de huidige, langs reguliere weg gekozen leiders te vervangen, tenzij er, zoals in Groot-Brittannië in 1940, een Winston Churchill beschikbaar was en klaarstond als lid van het parlement en van het kabinet, en bereid om zich in te zetten. En dan nog was niet gezegd dat hij het zou halen, dat hij Engeland zou redden.

Er zijn nog andere schrijnende vragen opgeworpen: was het leger goed voorbereid op deze strijd? Wist het hoe een einde gemaakt moest worden aan de dagelijkse, wrede raketaanvallen op vrouwen, kinderen en ouderen?

En toen de twee, drie reservedivisies infanterie waren opgeroepen, wanneer hadden die het offensief moeten beginnen? En was zo’n offensief lonend?

Het werd volstrekt duidelijk dat als het moeilijk zou worden om de vijandelijkheden in deze oorlog af te ronden met een afgetekende overwinning, in elk geval al het mogelijke moest worden gedaan om de indruk te voorkomen dat Hezbollah had gewonnen.

Hezbollah is niet beslissend verslagen, maar het is uit de strijd beslist militair verzwakt en diplomatiek geruïneerd tevoorschijn gekomen. Hun leider, Hasan Nasrallah, heeft het VN-besluit moeten accepteren dat Hezbollah als militaire organisatie niets te zoeken heeft in het zuiden van Libanon. Hij heeft zich erbij moeten neerleggen dat de resolutie in het zuiden een internationale strijdmacht posteert om het Libanese leger bij te staan – wat voor hem volslagen ondenkbaar was voordat hij op 12 juli de strijd begon.

Ook al is het niet gelukt het volledige raketarsenaal van Hezbollah te vernietigen, de christenen, soennieten en druzen die in de Libanese regering de meerderheid vormen, zeggen het over het algemeen liever niet openlijk, maar zij weten allemaal wiens schuld het is dat in hun land zo’n enorme schade is aangericht.

Zij beseffen dat Nasrallah de boosdoener is, en nu zij eenmaal het Syrische juk hebben afgeworpen, wenst geen van hen een handlanger van Iran het land te laten besturen.

In de laatste paar dagen voor de Veiligheidsraad tot zijn resolutie kwam, werd het de verantwoordelijke Israëlische leiders duidelijk dat de bereidheid van de Amerikanen om zich in te zetten voor een staakt-het-vuren meer te maken had met overwegingen met betrekking tot Iran – in verband met de nucleaire dreiging – dan met de problemen van de oorlog in Libanon.

Om inzake het ultimatum van de VN-Veiligheidsraad aan Iran de gelederen met Rusland, Frankrijk en China gesloten te houden, moest minister van Buitenlandse Zaken Rice wel zoeken naar een akkoord over een ontwerp-resolutie over Libanon die aanvaardbaar zou zijn voor Frankrijk, zonder de veiligheid en de diplomatieke belangen van Israël op essentiële punten te ondermijnen. Toen die formule op 11 augustus ten slotte was gevonden, werd de resolutie over het staakt-het-vuren ingediend en unaniem aanvaard.

De Libanese shi’itische geleerde Fouad Ajami maakt in zijn interessante, onlangs verschenen boek The foreigner’s gift melding van een gesprek dat hij ongeveer een jaar geleden heeft gevoerd met Ali Sistani, de hoogste rechtsgeleerde en politieke autoriteit van de shi’ieten in Irak. Er was net een afgezant van Nasrallah in Irak aangekomen met een boodschap waarin deze verklaarde dat hij het oneens was met de nieuwe orde die in Irak ophanden was. Het antwoord dat de afgezant van Sistani’s woordvoerder kreeg was duidelijk: wij respecteerden Nasrallah altijd als iemand die zich verzette tegen de Israëlische bezetting van het zuiden van Libanon (voordat Israël zich in 2000 terugtrok), „maar wij hebben genoeg van mensen als Nasrallah’’.

Dat is goed om in gedachten te houden: waarschijnlijk zijn er grenzen aan de shi’itische steun voor Nasrallah buiten Libanon. Hetzelfde geldt voor de houding van de soennitische en de christelijke Arabieren.

Shimshon Arad was ambassadeur van Israël in Nederland en Mexico.