Kleine meesters van de Gouden Eeuw

Expositie: Hollandse Meesters uit de Gouden Eeuw. Nederlandse schilderkunst 17de en 18de eeuw uit museum Mayer van den Bergh en collectie Smidt van Gelder. T/m 29 okt in Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen. Di t/m zo 10-17u. Inl. 0032-3-232 4237.

Fritz Mayer van den Bergh moet een kort maar aangenaam leven hebben geleid. Hij was de zoon van een industrieel, liet zijn broer zijn vader opvolgen en koos voor het leven van een welgestelde kunstverzamelaar. Na zijn dood in 1901, op 41-jarige leeftijd, richtte zijn moeder te zijner nagedachtenis een museum op dat tot op heden bestaat: het Museum-Mayer van den Bergh in Antwerpen. De collectie bestaat grotendeels uit middeleeuwse en zestiende-eeuwse beeldhouwkunst, kunstnijverheid, handschriften, glas in loodruiten en schilderijen. Ook kocht hij Noord-Nederlandse schilderijen uit de zeventiende-eeuw.

De hele collectie is nagelaten aan de stad Antwerpen. Dat geldt ook voor de verzameling van Pieter Smidt van Gelder (1878-1956). Negentien jaar geleden is het museum waar deze collectie was ondergebracht door brand beschadigd en sindsdien is de verzameling niet langer toegankelijk.

De Noord-Nederlandse schilderijen uit beide verzamelingen zijn onlangs onderzocht, gerestaureerd en beschreven in een catalogus en vormen nu samen een sympathieke tentoonstelling van 108 schilderijen. De bezoeker dwaalt door ruimtes die een begin twintigste-eeuwse impressie van een zeventiende-eeuws interieur geven. Vrijwel geen daglicht, goudleer aan de wanden, houten vitrines en boekenkasten. Straatrumoer dringt nauwelijks door.

Aan de wanden hangen de Hollanders: het is een doorsnede van de uiteenlopende genres waarin de Nederlandse schilders uitblonken: historiestukken, taferelen uit het dagelijks leven, stillevens, zeestukken, landschappen en portretten. Het onderzoek heeft uitgewezen dat de kopers niet altijd de juiste identiteit wisten. Er zijn nogal wat ‘in de tranten vans’, ‘navolgers’ en ‘scholen van’. Maar daarom duiken er ook kleinere meesters op, zoals Gerrit Decker of Frans Swagers.

Enkele stukken springen er uit, zoals een heel precies stilleven van twee bescheiden, in het duister oplichtende, nog net niet verrotte perziken van Willem van Aelst, een klein, rond zeegezicht van Jan Porcellis – een woeste zee op een paar vierkante centimeters – en een krachtig portret door de Delftse schilder Christiaen van Couwenbergh. Dat laatste doek stelt een bakker voor, die op zijn hoorn blaast ten teken dat er vers brood is. Mogelijk is het een zelfportret.

Portretten zijn goed vertegenwoordigd. Er hangt een fantastisch anoniem dubbelportret van een jongen en een meisje uit ca. 1600. In hun rijke, mooi weergegeven kleren staan ze er heel treffend, een beetje schuw bij, alsof ze nog niet goed weten wat een portret is. In 1897 kocht Mayer van den Bergh op een veiling te Medemblik zelfs een hele groep portretten. Die waren afkomstig van een van de machtigste regentenfamilies in Hoorn, de familie Bredehoff. De leden van dit geslacht hebben zich uitvoerig laten portretteren, onder ander door de weinig bekende maar talentvolle Jan Albertsz. Rotius.

Rotius portretteerde in 1662 het aan Bredehoff verwante gezin van Meyndert Sonck: vader, moeder, vier dochters, een zoontje en ook nog een min, allen dicht opeen, eigenlijk op een te krap oppervlak. Het is geen levendig portret. Er is duidelijk tijdens de voorbereidende sessie om stilte gevraagd en om waardigheid. Alleen de min houdt haar hoofd scheef, zodat men kon zien dat ze eigenlijk niet wist hoe het hoorde. Maar de hele uitvoering is door zijn gedetailleerdheid toch geslaagd.

Deze tentoonstelling – die verweven is met de vaste opstelling – is niet alleen de moeite waard vanwege deze schilderijen, maar ook vanwege de hele ambiance die je even terugzet in de tijd.