In Irak in juli 3.500 doden, het dubbele van januari

In Irak zijn vorige maand in totaal ongeveer 3.500 mensen om het leven gekomen bij sectarisch of politiek geweld. Dat heeft de Iraakse onderminister van Gezondheid, Adel Musin, gisteren meegedeeld. Eerder was al bekend geworden dat in juli in Bagdad alleen al 1.500 lijken van slachtoffers van geweld in het lijkenhuis waren binnengebracht.

Het is het hoogste dodencijfer sinds een Amerikaans-Britse legermacht in maart 2003 Irak binnenviel om het regime van Saddam Hussein omver te werpen. Musin gaf geen cijfers voor de voorgaande maanden. Maar The New York Times meldde gisteren dat het dodental voor juli 9 procent hoger is dan dat voor juni en bijna twee keer zo hoog als januari. Het shi’itisch-sunnitische geweld laaide eind februari op na de aan sunnieten toegeschreven aanslag op de shi’itische Gouden Moskee in Samarra. Zelfs Amerikaanse generaals, die zich doorgaans relatief optimistisch uiten, zeiden deze maand een burgeroorlog niet uitgesloten te achten.

In Bagdad is een groot Amerikaans-Iraaks legeroffensief aan de gang om het geweld in te tomen. Niettemin werden in de hoofdstad gisteren weer zeker 21 mensen gedood en 55 gewond bij drie bomaanslagen. Vanochtend werden in de shi’itische sloppenwijk Sadr City twee mensen gedood.

In de grote zuidelijke stad Basra vielen tientallen stamleden gewapend met raketwerpers gisteren het kantoor van de provinciegouverneur aan omdat ze geloofden dat ambtenaren achter de moord op een stamleider, een dag eerder, zaten. Daarbij werd een politieman gedood. Ze sloegen op de vlucht toen Britse troepen arriveerden.

In de stad Kerbala bleef de toestand gisteren zeer gespannen na botsingen tussen Iraakse troepen en aanhangers van de radicale shi’itische ayatollah al-Hassani, de dag te voren. Bij die botsingen werden 17 mensen gedood. In de noordelijke stad Mosul braken op twee plaatsen gewapende botsingen uit tussen de politie en sunnitische rebellen. Daarbij zouden zes rebellen zijn gedood. (AFP, AP,)