‘De schade aan huizen valt me mee’

Op het oog is er in noordelijk Israël niet zoveel te merken van oorlogsschade. Veel van de Hezbollahraketten kwamen neer op landerijen. Maar klanten ontbreken nog in de heropende shopping malls.

HAIFA, 17 AUG. - Wie na, zeg een wereldreis van twee maanden, terugkeert in Haifa, Israëls grootste havenstad en schietschijf voor Hezbollahs katjoesjaraketten, merkt op het oog weinig van de 34 dagen durende Israëlisch-Libanese oorlog. Drie dagen na de afkondiging van een bestand is de haven in vol bedrijf, zijn alle winkels en restaurants geopend en hangt in de lager gelegen volkswijken de was weer buiten.

Ongeveer een kwart van de bevolking had de stad verlaten, maar was binnen 48 uur na het staakt-het-vuren weer terug, voor zover niet met vakantie in Europa of de VS. Op de hoek van Rehov Ben Gurion fotograferen twee net teruggekeerde inwoners van de Duitse Kolonie, een wijk in Haifa, een zwaar beschadigd Arabisch huis. „Zonde, het was net zo mooi gerenoveerd”, zegt Mirjam Taylor, „maar in het algemeen valt mij de schade aan de huizen erg mee”. Dat klopt, wie weet waar de katjoesja’s zijn ingeslagen, kan een aantal beschadigde huizen en gebouwen vinden, maar van kaalslag, zoals in zuidelijk Libanon, is in noordelijk Israël geen sprake.

De directe materiële schade aan huizen en gebouwen in Galilea, waarop gedurende 34 dagen 3.400 katjoesja’s zijn afgevuurd bedraagt ongeveer 200 miljoen dollar. Ongeveer 80 procent van de katjoesja’s stortte neer op de landerijen. De indirecte schade als gevolg van bedrijfssluitingen, verlies aan handel en compensatieregelingen daarentegen is aanzienlijk groter. Volgens het ministerie van Financiën kost de oorlog de Israëlische economie ongeveer 4,2 miljard dollar, één procent van het bruto nationaal product.

Dat bedrag is de geschatte optelsom van de extra militaire kosten, gederfde bedrijfsinkomsten, gederfde belastingen en de talrijke compensatieregelingen. „De economie van Israël, een IT-economie, is aangesloten op de wereldeconomie. De schade van een oorlog loopt dan ook meteen stevig op. Dat was in 1967 tijdens de Zesdaagse oorlog anders omdat de Israëlische economie toen nog een sterk agrarisch karakter had”, aldus de militair historicus Michael Oren in Jeruzalem.

Bij de belastingdienst zijn al 90.000 claims ingediend voor belastingaftrek in verband met de oorlog. Die claims variëren van een verstuikte enkel tijdens een vlucht naar een schuilkelder, een hartaanval tijdens het geloei van de sirenes, de dood van een kostwinner in de familie tot de beschadiging van landbouwpercelen door tanks of een door een katjoesja verwoest huis.

Minister van Financiën Hirschon denkt intussen dat de oorlogskosten opgevangen kunnen worden door het begrotingstekort te laten oplopen tot 3 procent. De Bank van Israël heeft daar bezwaar tegen en geeft de voorkeur aan tijdelijke verhoging van de BTW met 0,5 procent. Minister en bankpresident Fischer handhaven hun voorspelling dat de Israëlische economie dit jaar niet met 5,5 maar met 4,5 tot 4,7 procent zal groeien. Grootste economische verliezers van de oorlog zijn de toeristenindustrie, de middenstand en de landbouw. Tientallen eigenaren van kleine restaurants, hotels, winkels en tuinbouwbedrijven vrezen dat zij failliet gaan. Bij het ministerie van Financiën in Jeruzalem is al betoogd tegen het feit dat de schade niet volledig wordt vergoed.

Van Haifa naar het eeuwenoude havenstadje Acco is een half uur rijden. Bij de oude, ommuurde Arabische stad is het stil, alle hotels zijn nog gesloten, de parkeerplaatsen leeg. „Het gaat maanden, zo niet langer duren voordat de toeristen terug zijn”, zegt Ahmed van het Lighthouse-restaurant. In Nazareth, een christelijk pelgrimsoord, Tiberias en het midden van Galilea is dezelfde verzuchting te horen.

In Nahariya, het Californisch ogende badplaatsje aan de Middellandse Zee vlakbij de grens met Libanon, zijn alle luxueuze strandvilla’s, zwembaden en hotels nog gesloten. Ook hier valt de directe materiële schade aan huizen mee, een villa aan de boulevard en een appartementengebouw zijn beschadigd, het asfalt vertoont een ondiep gat en daarnaast staat een uitgebrande auto.

De grote shopping mall is voor het eerst sinds 18 juli weer open, maar klanten ontbreken. Niemand, zo blijkt uit een rondvraag bij het benzinestation, heeft er vertrouwen in dat het staakt-het-vuren stand zal houden. In de dorpsstraat zijn de winkels ook open, maar er is alle tijd voor een praatje, of in het geval van de eigenaresse van The Curiosity Shop om Harry Potter uit te lezen. Zij overweegt de zaak te sluiten en naar Amerika te emigreren.

De weg van Nahariyah naar Kiryat Shmona, de scenic route, loopt vlak langs de grens met Libanon en langs de Israëlische artilleriebatterijen die zich voorbereiden op hun vertrek. Aan alles is te merken, dat het Israëlische leger niet van plan is bij de eerste de beste overtreding van de VN-resolutie weer in actie te komen. De meeste kibboetsen zijn weer in bedrijf, maar voor de bed and breakfast-industrie is de zomer van 2006 een verloren jaar.

Voor de fruittelers rond Metulla en Kiryat Shmona had de oorlog niet langer moeten duren of de oogsten aan appels, perziken, maïs en meloenen was helemaal verloren gegaan. De boomgaarden zijn toch al beschadigd door gebrek aan goede verzorging, inkomende katjoesja’s en zich verplaatsende houwitsers en tanks.

Maar hun grootste probleem nu is het gebrek aan arbeidskrachten. Sinds Palestijnen niet meer worden toegelaten tot Israël hebben tuin- en landbouwbedrijven tienduizenden Thais in dienst genomen. Degenen in het noorden verlieten kort na het begin van de oorlog op last van de Thaise ambassade in Tel Aviv hun werk in het grensgebied.

Zeker twintig fruittelers in de ‘vinger’ van Israël vrezen dat zij moeten stoppen. „Dit jaar hadden zij na twee slechte seizoenen hun verliezen willen goedmaken. Zal niet gebeuren, denk ik”, aldus Avigdor Rothem, eigenaar van een gourmetrestaurant die dankzij passerende buitenlandse journalisten wel „een goede oorlog” had.