Anti-rebellie

Ik las over oud-honkballer Don Mattingly van de New York Yankees en moest denken aan een voormalige medestudent, Adam Cohen. Mattingly sloeg in 1987 zes grand slam homeruns in een seizoen. Een record, dat deze week werd geëvenaard door Travis Hafner van de Cleveland Indians. De prestatie van Mattingly werd destijds ademloos van commentaar voorzien door Cohen, destijds postdoctoraal student in de kunstgeschiedenis aan Johns Hopkins University in Baltimore.

Adam Cohen was een opvallende verschijning: een orthodoxe jood in een seculier milieu, een aanhanger van Ronald Reagan in een omgeving waar de voormalige president werd weggezet als tweederangs acteur, en een sportfan temidden van pure academici. Hij droeg cowboylaarzen en jeans, een T-shirt en een honkbalpet over zijn keppeltje. In zijn studeerkamer hing een grote poster van de acteur Clint Eastwood als Dirty Harry: Make My Day.

Hij was een fanatieke supporter van de Yankees in een tijd dat het andere team uit New York, de Mets, de dienst uitmaakte in het Amerikaanse honkbal. Don Mattingly was zijn held; de speler die de Yankees volgens hem spoedig weer kampioen zou maken.

Dat had hij niet goed gezien: de Yankees deden pas in de tweede helft van de jaren negentig weer van zich spreken. In politiek opzicht bevond hij zich echter in de voorhoede van een nieuwe generatie academici. Net als de hippies in de jaren zestig had hij zich afgezet tegen zijn ouders. Maar zijn opstand was een antirebellie. Als zoon van een progressief, niet-religieus onderwijzersechtpaar had hij discipline en inspiratie gevonden in een gespierd geloof en een conservatieve politieke ideologie. Zijn ouders noemde hij hopeloos naïef. Deze zomer twintig jaar geleden vertelde hij zijn levensverhaal op de tribune van het stadium van de Orioles.

Menno de Galan

Dit is het derde deel in een reeks over de honkbalcultuur in de Verenigde Staten.