Aidsremmers voor de drie vrouwen van de chef

Bedrijven in Afrika kunnen de aids-epidemie niet meer negeren.

Veel werknemers sterven. En dat niet alleen schokkend, maar ook kostbaar.

Die kan nog wel eens teamleider worden. Dat dacht Bas Kikkert. Hij was als productiemanager aangesteld bij een raffinaderij in Zuid-Afrika. In zijn team zat een fabrieksoperator van rond de dertig, die duidelijk talent had. Maar kort na Kikkerts aantreden in 2002 begon de man gewicht te verliezen: aids. „Ik heb hem in drie maanden zien afglijden van een gezonde operator tot zijn overlijden. Toen ik twee uur voor zijn dood bij hem was, woog hij nog 40 kilo.”

Schokkend, vond Kikkert. Mede door het stigma dat de ziekte heeft, was een kans gemist om deze man te redden. Voor Kikkert was het een aanleiding om het bestaande aidsbeleid van Sapref, een joint venture van onder meer oliemaatschappij Shell, uit te breiden. „Maar we zijn toen ook sommetjes gaan maken. We verloren vijf mensen per jaar aan aids. Afgezien van het morele aspect was er ook een duidelijke businesscase, want we verloren mensen in wie we tien jaar hadden geïnvesteerd.” Inmiddels kunnen alle zeshonderd werknemers van Sapref en hun directe familieleden zich laten testen op hiv. Degenen die seropositief zijn, krijgen zonodig aidsremmers.

Sapref is niet het enige bedrijf in Afrika dat door schokkende ervaringen en sommetjes is begonnen met aidsbestrijding. Omdat hiv in het werelddeel steeds verder om zich heen grijpt, kunnen bedrijven die zich er hebben gevestigd niet meer om de ziekte heen.

Dat betekent niet dat ze allemaal iets doen. In landen waar meer dan een vijfde van de bevolking seropositief is, heeft iets meer dan de helft van de bedrijven een formeel aidsbeleid. Dat kan van alles kan betekenen: van posters ophangen of condooms uitdelen tot hiv-tests en aidsremmers verstrekken. Het aantal bedrijven dat zoals Sapref aidsremmers verstrekt is nog beperkt. Want waarom zouden ze ook?

Bierbrouwer Heineken kan dat uitleggen. Het bedrijf werd deze maand in het medisch-wetenschappelijk tijdschrift The Lancet beschreven als voorbeeld van hoe bedrijven succesvol met de hiv-epidemie kunnen omgaan. Net als bij Sapref krijgen alle 6.000 werknemers van Heineken in Afrika een vrijwillige hiv-test aangeboden en zonodig een behandeling. Voor hun gezinnen, die in sommige landen wel drie echtgenotes tellen, geldt hetzelfde.

Medisch adviseur Stefaan van der Borght van Heineken – co-auteur van het Lancet-artikel – vertelt dat het bedrijf eind jaren negentig al merkte dat aids doodsoorzaak nummer één was onder werknemers van zijn Afrikaanse vestigingen. Maar een behandeling kostte toen nog zo’n 15.000 euro per jaar. Dit kon het bedrijf niet opbrengen. Toen aidsremmers goedkoper – en effectiever – werden, kwam de mogelijkheid werknemers te behandelen alsnog in beeld.

Intussen had Van der Borght ook gesproken met Joep Lange, hoogleraar in Amsterdam en initiatiefnemer van PharmAcces, de organisatie die inmiddels het aidsprogramma van Heineken uitvoert. „Die zei: ‘Behandelen kan straks voor een paar euro per dag per patiënt. Jullie kunnen dat opbrengen. Waarom zou je het niet doen?’”

Waarom niet? Dat vraagt hoogleraar Lange nog steeds aan bedrijven. Vanaf de aidsconferentie die nu in Toronto plaatsvindt, vertelt hij dat bedrijven toen hij in 2001 met PharmAcces begon de „meest verschrikkelijke argumenten” gebruikten om geen aidsremmers te verstrekken aan hun werknemers. Bijvoorbeeld dat de overheid in het land waar ze actief zijn het zou moeten doen, terwijl ze best wisten dat dat nooit zou gebeuren. Of dat hun werknemers zo mobiel waren dat het bedrijf ze lastig zou kunnen bereiken, „terwijl ze gewoon in het dorp ernaast woonden”. Nog steeds vindt hij het aantal bedrijven dat daadwerkelijk in actie komt tegen aids teleurstellend.

Veel van de argumenten tegen het aanbieden van aidstherapie, werden ontkracht door de resultaten bij Heineken. De medische kosten van Heineken Afrika zijn ongeveer gelijk gebleven, zegt Van der Borght. De kosten voor het aidsprogramma bedragen ongeveer 180.000 euro per jaar, maar het bedrijf is nauwelijks meer geld kwijt aan ziekenhuisopnames van werknemers die aan aids bezwijken. Van der Borght: „En die gingen daarna dood. Dat geld was verspild.”

Ook de angst dat Heineken overspoeld zou worden door seropositieve sollicitanten, bleek onterecht. Van der Borght: „Maar dat komt vooral doordat de meeste mensen hier hun status gewoon niet kennen.” Ook andere mogelijke nadelen van aidstherapie bleken niet op te gaan. Zo is de angst dat Afrikaanse patiënten de intensieve aidstherapie toch niet zouden volhouden onterecht. Ook leiden bedrijfsprogramma’s niet tot de opkomst van meer resistente hiv-varianten.

Blijft de vraag waarom ondernemingen wél iets zouden doen aan de aidsepidemie. Want aidsbeleid levert lang niet alle bedrijven economisch gewin op, vertelt hoogleraar Lange. Bedrijven die hoogopgeleid personeel hebben, zoals Sapref, hebben meer te winnen bij het verstrekken van aidsremmers dan een winkelketen of mijnbouwbedrijf met laagopgeleid personeel. Bovendien zijn westerse multinationals in veel Afrikaanse landen toch al populaire werkgevers. Lange: „‘Als er vandaag eentje doodgaat, staat er morgen wel weer een nieuwe op de stoep’, zeiden bedrijven in het begin.” Sommige bedrijven overwogen hun hogere managers wel een behandeling aan te bieden en de rest niet, vertelt Lange. „Maar dat is bij mijn weten gelukkig niet gebeurd.”

Heineken heeft zowel hoogopgeleide als laagopgeleide werknemers. Aan uitgebreide kosten-batenanalyses heeft het bedrijf zich niet gewaagd, omdat je lang niet alle voordelen in geld kunt uitdrukken. Voor de bierbrouwer blijft de leidraad: zolang we het ons kunnen veroorloven, gaan we ermee door.