Stop dictatuur van Centraal Planbureau

Het model dat het CPB gebruikt voor doorrekening van verkiezingsprogramma’s is gebrekkig, en het advies van het planbureau zet politici daarom op het verkeerde been, meent Diederik Samsom.

De doorrekening van de verkiezingsprogramma’s staat weer voor de deur. Alle politieke partijen moeten met hun plannen nederig langs de rekenmeesters van het Centraal Planbureau (CPB) om te horen hoeveel economische groei, begrotingstekort, werkgelegenheid en koopkracht ze hun kiezers kunnen beloven. Het gebruik om politieke voornemens door te laten rekenen heeft zich ontwikkeld tot een absolute must voor iedere serieuze politieke partij. Bij algemene politieke beschouwingen komen Kamerfracties, van SP tot LPF, slechts nog naar de vergaderzaal met een goedkeuringsstempel voor hun tegenbegrotingen op zak. Het CPB vervult daarmee een steeds prominentere scheidsrechterfunctie in het politieke debat. Maar hoe geschikt zijn die berekeningen voor het beoordelen van politieke plannen?

Centraal in de CPB-berekeningen staat het bruto nationaal product: de optelsom van geproduceerde goederen en diensten. Vrijwel alle belangrijke indicatoren die het CPB hanteert, zoals begrotingssaldo, werkgelegenheid en besteedbaar inkomen, worden positiever naarmate het nationale inkomen harder groeit. Groei van het bnp wordt zo gelijkgesteld met toenemende maatschappelijke welvaart. Dat is onjuist. Want welvaart draait om veel meer dan begrotingssaldo of koopkracht. Wetenschappelijke literatuur laat zien dat, als het bnp al gekoppeld is aan maatschappelijke welvaart, dat alleen geldt voor landen met zeer lage inkomens. Daar voorziet een stijging van inkomen in vervulling van eerste levensbehoeften. Vanaf een zeker inkomen per hoofd van de bevolking – studies wijzen op 20.000 dollar per persoon – stijgt de welvaart niet bij verdere inkomensgroei en raakt het bnp dus de relatie met welvaart kwijt. Het hebben van een partner, gezond zijn en behoren tot een hechte sociale groep en vooral het relatieve inkomen zijn veel bepalender voor het geluk van mensen. Rijke landen als Nederland zouden dus allang moeten zijn afgestapt van het gebruik van het nationaal inkomen als centrale welvaartsthermometer.

Er is nog een belangrijker reden waarom het CPB zo de plank misslaat. Het nationale inkomen laat alles buiten beschouwing wat niet in geld kan worden uitgedrukt en is daarmee een zeer onvolledige optelsom. Schade aan het milieu en natuur speelt bijvoorbeeld geen rol in de berekeningen. Wanneer Nederland in snel tempo natuurlijke waarden als rust, ruimte, stilte en water, inruilt voor wegen, huizen en auto’s, neemt het bnp snel toe, maar zal ons welzijn veel minder stijgen en waarschijnlijk zelfs dalen. Groei van het bnp door middel van het aanspreken van natuurlijke hulpbronnen betekent bovendien dat we een wissel trekken op de toekomst. Ondanks lokale verbeteringen, waar rijkdom zorgt voor technologie en geld om een rivier schoon te maken, nemen de voorraden van de belangrijkste natuurlijke hulpbronnen gestaag in omvang af met het stijgen van het bnp. Met mogelijk grote gevolgen voor de welvaart van generaties ná ons. Geen indicator in de doorrekening van het CPB die daar naar kraait. Het is opmerkelijk dat het planbureau dit jaar heeft aangekondigd de verkiezingsprogramma’s ook door te rekenen op ‘toekomstvastheid’, maar de opgave voor de toekomst vooralsnog slechts uitdrukt in kosten van de vergrijzing.

Met natuurlijke hulpbronnen hebben de CPB-modellen sowieso veel moeite. Het planbureau gaat er in zijn berekeningen volstrekt onterecht vanuit dat grondstoffen wereldwijd via handel terechtkomen waar ze nodig zijn, eventueel met wat hogere transactiekosten voor slecht werkende markten. Het vertaalt het schaarser worden van fossiele brandstoffen slechts in iets hogere prijzen en beveelt dus aan geen haast te maken met het van overheidswege stimuleren van duurzame energie; de markt zal bij hogere prijzen immers vanzelf haar werk doen. Zo’n advies negeert niet alleen de dreigende klimaatverandering, maar ook de vele slachtoffers die vallen omdat de strijd om schaarse grondstoffen niet met de portemonnee, maar met wapens wordt uitgevochten. Zo zijn de recente oorlog in Congo en de instabiliteit in het Midden-Oosten niet los te zien van grondstoffenvoorraden. Het CPB-model houdt geen rekening met deze werkelijkheid en zet politici met zijn advies op het verkeerde been.

Men zou nog kunnen betogen dat een onvolkomen doorrekening door een planbureau niet zoveel kwaad kan, zolang politici zich die onvolkomenheden maar goed realiseren en hun beleid niet slechts op het CPB ijken. De politieke werkelijkheid is helaas een geheel andere. Bij gebrek aan serieus tegenwicht zijn de doorrekeningen van het CPB vaak beslissend voor het lot van politieke plannen. Het Milieu- en Natuurplanbureau heeft een paar schuchtere pogingen tot het doorrekenen van de milieueffecten van plannen gedaan, maar die behoedzame en kwalitatieve analyses werden geboycot door CDA en VVD en vervolgens platgewalst door de stelligheid waarmee het CPB groeicijfers tot twee cijfers achter de komma presenteerde. Dit jaar ziet het Milieuplanbureau maar helemaal af van een doorrekening.

Het CPB stuurt het beleid dus in steeds grotere mate en doet dat met indicatoren en modellen die voor de doelstelling van dat beleid – een welvarende samenleving, ook voor generaties ná ons – irrelevant of zelfs contraproductief zijn. Een verontrustende ontwikkeling. Het is echter nog niet te laat om deze slechte gewoonte, die in Nederland nog niet zo lang usance is en daarbuiten al helemaal niet wordt gepraktiseerd, maar weer snel op te geven. Laten we het debat over politieke plannen weer vooral voeren via de politieke en maatschappelijke arena in plaats van via de rekenmachine van het planbureau. De samenleving zal er wel bij varen.

Diederik Samsom is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de PvdA.