Jodendom taant in Tadzjikistan

Joden in Tadzjikistan raken steeds meer gemarginaliseerd.

Jonge joden gaan naar Israël, maar de ouderen hebben daar geen fut voor.

„De joden in Tadzjikistan laten zich niet wegjagen.” In de synagoge van Doesjanbe heft rabbijn Mikel Abdoerachmanov het zoveelste glas wodka. „Laten we proosten op voorspoed en onze tranen vergeten.” De met puin bezaaide binnenplaats oogt als een slagveld. Tussen stapels hout en bakstenen zwerft een bord met een davidster als een vergeten trofee. Graafmachines zijn bezig naburige panden te slopen.

Het is een historisch gebeuren, stelt Abdoerachmanov. De laatste synagoge van de Centraal-Aziatische republiek Tadzjikistan moet wijken voor een nieuw presidentieel paleis. De mikvah, het rituele badhuis, en het joodse schooltje zijn al afgebroken – zonder de joodse gemeenschap vooraf te informeren. Binnenkort is de synagoge aan de beurt.

Discriminatie? Valt wel mee, vindt Abdoerachmanov. „Wij zijn een minderheid, het belang van joden heeft gewoon geen prioriteit. De regering zegt dat we een andere synagoge kunnen bouwen. Maar we krijgen geen cent schadevergoeding. De joden hier zijn oud en hebben geen geld. De nieuwe locatie is ver buiten het centrum en niemand heeft vervoer.”

Een handjevol bejaarde mannen luistert gelaten toe. Een van hen heeft zijn hoofd op tafel gevleid en ligt vredig te snurken. Joeri Viktorovitsj loopt rondjes en is druk bezig vliegen dood te slaan. Hij is nog geen dertig en daarmee de jongste jood van Doesjanbe, misschien wel van heel Tadzjikistan, zegt hij. Alleen de oude joden willen blijven. Ze zijn vaak alleenstaand, hebben geen contacten in Israël en hebben geen fut meer om een nieuw bestaan te beginnen. Als Viktorovitsj de kans krijgt, vertrekt ook hij naar Israël. Zijn familie in Jeruzalem probeert een paspoort te regelen. In Tadzjikistan zijn geen geschikte huwelijkskandidaten. „Alle joodse vrouwen zijn vertrokken.”

Na meer dan 2.000 jaar blaast de joodse gemeenschap in Tadzjikistan de laatste adem uit. Nog geen twintig jaar geleden woonden in Centraal-Azië naar schatting 100.000 Boechaarse joden, van wie ruim 15.000 in Tadzjikistan. Tegenwoordig telt het land niet meer dan 200 joodse families.

Abdoerachmanov vertelt dat joden in Centraal-Azië een eigen taal spraken, een Tadzjieks-Perzisch dialect. „Die taal kent niemand meer. We spreken tegenwoordig Russisch met joden in Oezbekistan of Kazachstan.”

Onder Stalin was er strenge censuur maar na zijn dood in 1953 kon elke Tadzjiekse jood een keppel dragen en de synagoge bezoeken. Moslims konden naar de moskee. Alleen zware sluiers werden niet toegestaan.

„Voor de onafhankelijkheid in 1991 zat er nooit een kip in die gebedshuizen. Ja, oude mensen net als nu. Maar ik ging ook niet naar de synagoge. Je kon alleen carrière maken als je op één lijn met de partij zat.” De staat beschouwde iedereen die zich toch met geloof inliet als achterlijk. Ik moet zeggen: we interesseerden ons toen ook helemaal niet voor religie. Jongeren vonden het wel best, we wilden modern zijn.”

De joodse wijk in Doesjanbe is nooit als zodanig herkenbaar geweest. Er waren geen joodse winkels, geen joodse clubs of slagers zoals in Oezbekistan. Zelfs de synagoge is een eenvoudig rechthoekig gebouwtje dat niet opvalt.

De mannen vullen opnieuw de wodkaglaasjes. De Boechaarse joden deden nog weinig aan tradities, maar ze vormden wel een hechte club, zeggen ze. „Net schapen. Als er één wegging, vertrokken ze allemaal.” Ze vertellen dat de joodse uittocht na 1991 op gang kwam, toen in Tadzjikistan een burgeroorlog begon en moslim-fundamentalisten de macht opeisten. In het land verrezen duizenden moskeeën met financiële hulp van Pakistan, Iran of Saoedi-Arabië. De joden trokken naar het beloofde land Israël, waar ze allemaal welkom waren, mits ze met een geboorteakte konden tonen dat ze joods bloed hadden.

„Die fundamentalisten waren agressief.” Viktorovitsj herinnert zich hoe een meisje in minirok op straat in elkaar werd geslagen. „Natuurlijk waren we bang. Joden hadden daar meer reden voor dan moslims. We durfden de straat niet eens op. Iedereen probeerde naar Israël te komen. Er werd enorm geritseld met valse documenten, het was een hele business indertijd.” Grinnikend: „Ja, natuurlijk ook moslims wilden opeens jood worden.”

Van discriminatie zegt het gezelschap nu weinig last te hebben. Abdoerachmanov weet ook waarom: in Tadzjikistan vormen joden een te kleine groep. Ze zijn arm en ongevaarlijk en wekken om die reden nauwelijks irritatie. „Joden doen aan zelfcensuur”, legt hij uit.

Hij past ervoor met een keppeltje de straat op te gaan. „Dat zou maar problemen geven en scheve ogen bij de moslims. Joden zijn een minderheid. Ik vind: we moeten ons aanpassen. Dat hebben we in sovjettijden altijd gedaan.”

Zuchtend vraagt de rabbijn zich af of hij zich eigenlijk nog wel wil inzetten voor de joodse belangen in Doesjanbe. De laatste tijd, zegt hij, denkt hij over niets anders dan emigratie. Zijn vrienden en familie – zeven broers en één zuster – wonen in Israël.

Alleen hij bleef. Niet slim, vindt hij achteraf. „Het enige wat me altijd tegenhield was onze synagoge. Als ze die afbreken ga ik weg. Dan heb ik niets meer om voor te vechten.”

Voormalige Sovjet-republiek Tadzjikistan