Hulpverlener én slachtoffer

Ambulancemedewerkers hebben geregeld te maken met agressie en zouden graag anoniem aangifte doen.

Juridisch zitten daar echter veel haken en ogen aan.

„Je zou verwachten”, zegt Wim Brouwer, hoofd van Operationele Dienst bij de GGD Amsterdam, „dat je met open armen ontvangen wordt”. Maar dat is lang niet altijd het geval. De laatste jaren wordt ambulancepersoneel geregeld aangevallen of bedreigd tijdens het redden van mensen.

In Doetinchem werd eind april een hulpverlener mishandeld door een groepje mannen. In Amsterdam waren deze zomer binnen veertien dagen twee ernstige incidenten. En onlangs kreeg in de hoofdstad opnieuw een ambulancebroeder een klap in het gezicht. Van een jonge vrouw, terwijl hij bezig was hulp te verlenen aan haar moeder. Zoals altijd luidde de verklaring: de hulpverlener was niet snel genoeg.

Zou GGD-personeel graag aangifte willen doen van de agressie? Brouwer:. „Jazeker. Maar je bent dan traceerbaar voor mensen die heel vreemd gedrag vertonen, die een hulpverlener aanvallen in plaats van helpen.”

Uit angst voor represailles zien hulpverleners vaak af van aangifte. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij een incident afgelopen juli in Amsterdam-Oost. GGD’ers werden ernstig bedreigd en gehinderd in hun werk. Ze deden geen aangifte om verdere problemen te voorkomen, ondanks aandringen van burgemeester Cohen om het wel te doen. Brouwer: „Cohen is langsgeweest, maar ze hebben duidelijk gemaakt dat ze te bang waren om er een zaak van te maken.”

Van de 30 ernstige meldingen dit jaar („schelden wordt niet eens meer geregistreerd”) werd slechts drie keer aangifte gedaan. Het gevolg is dat het openbaar ministerie niets kan doen en de agressor ongestraft zijn gang kan gaan.

Het Kamerlid Weekers (VVD) toonde zich daarom in NRC Handelsblad onlangs nog een voorstander van ruimere mogelijkheden voor anonieme aangifte. Die mogelijkheden bestaan gedeeltelijk al wel, hoewel er nog veel misverstanden over bestaan.

Een getuige kan aangifte doen met zijn sofi-nummer of via het adres van het politiebureau. Dit biedt een behoorlijke anonimiteit, maar wordt een zaak ter zitting behandeld, dan moet de getuige (en elk slachtoffer is getuige) zich alsnog bekendmaken. De getuige kan vervolgens krachtens artikel 226 van het Wetboek van strafvordering een beroep doen op anonimiteit. Dit middel wordt echter spaarzaam toegepast, omdat het de mogelijkheden van de verdediging beperkt.

Als een getuige toch een beroep doet op deze mogelijkheid, beoordeelt de rechter-commissaris of de bedreiging zwaar genoeg is. Zo ja, dan hoeft de getuige niet ter zitting in de rechtzaal te verschijnen. De rechter-commissaris neemt de verklaring af. De rechter-commissaris kan beslissen dat er verder niemand bij mag zijn. De verdediging mag dan alleen schriftelijk vragen stellen.

Maar in de praktijk gebeurt dit slechts bij zeer zware strafzaken. „Rechters zijn geen liefhebbers van dit soort processen”, zegt Theo de Roos, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Universiteit van Tilburg. „Het is omslachtig, het komt de helderheid van het proces niet ten goede en het frustreert de verdediging aanzienlijk. Een anonieme verklaring alléén is niet voldoende voor een veroordeling. Daar is meer bewijs voor nodig.”

Nederland is zelfs een paar keer veroordeeld voor het toepassen van dit middel, herinnert De Roos zich. „Dat gebeurde onder andere in de zaak-Van Mechelen. Politieagenten die een paar gewelddadige bankovervallers hadden gearresteerd, werden voor hun persoonlijke bescherming opgevoerd als anonieme getuigen. De verdediging heeft daartegen tot het Europese Hof van de Rechten voor de Mens geprocedeerd, en die zaak gewonnen.”

Een ander middel is om de getuige gewoon in de rechtzaal te verhoren, maar dan vermomd. De verdediging kan de getuige vragen stellen, zolang ze maar niet tot bekendheid van zijn identiteit leiden.

„Het zit ingewikkeld in elkaar”, zegt Kamerlid Aleid Wolfsen (PvdA). „Maar er is dus al wel het een en ander mogelijk. Ik heb sterk de indruk dat die mogelijkheden nog onvoldoende benut worden. Burgemeester Cohen zou er goed aan doen om dit onderwerp nog eens door te nemen met de hoofdofficier en de hoofdcommissaris van politie, om daar vervolgens het aangiftebeleid op af te stellen.”

Mogelijk ligt er nog een taak voor de Tweede Kamer, erkent Wolfsen. „We zouden de strafmaat voor geweld tegen medisch personeel met een derde kunnen verhogen. Voor ambtenaren bestaat dit al, maar niet alle ambulancebroeders zijn ambtenaren. Dat zou preventief kunnen werken. We mogen niet toestaan dat zulk belangrijk werk zodanig bemoeilijkt wordt.”

Biedt de huidige wet volgens De Roos voldoende waarborgen voor de veiligheid van bedreigd ambulancepersoneel? Theo de Roos denkt van wel. „Maar anonieme aangifte is een zwaar middel. Niet dat ik er principieel iets op tegen heb om het ter bescherming van GGD’ers in te zetten. Elke zaak moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. Maar het lijkt me goed als er terughoudend mee wordt omgesprongen. Een kreet als ‘Ik sla je dood’ is duidelijk te licht.”

Er zijn tot nu toe geen gevallen van stalking geweest wanneer GGD’ers wél aangifte deden, erkent Wim Brouwer. „Maar toch zeggen de meesten: zolang het niet anoniem kan, doe ik het niet.”

Volgens De Roos zijn er nog andere wegen. „Het strafrecht is het allerzwaarste middel, maar niet het enige.” Een waarschuwend gesprek met de politie? „Bijvoorbeeld.”

Kijk voor een eerder artikel over dit onderwerp op: www.nrc.nl/binnenland