Een mediterrane voetbalster

Faas Wilkes was de meest elegante Nederlandse voetballer ooit.

Als een van de eersten trok hij als profvoetballer naar Italië en Spanje.

Voor wie hem nog heeft zien spelen bestaat er nauwelijks twijfel: Faas Wilkes is de meest elegante voetballer die Nederland heeft gekend. Zijn onnavolgbare solo’s en zijn talrijke, vaak wonderbaarlijk mooie doelpunten brachten een halve eeuw geleden liefhebbers in Nederland, Italië en Spanje in verrukking. Hij was het idool van Johan Cruijff, de enige Nederlander die hem decennia later mogelijk heeft kunnen overtreffen in voetbalgenialiteit. Gisteren overleed Servaas Wilkes in zijn geboorteplaats Rotterdam op 82-jarige leeftijd aan een hartstilstand.

Mocht Wilkes in deze tijd hebben gevoetbald, dan was hij een ‘mega-ster’ geweest. Hij zou zijn gevolgd door alle media en tv-zenders met een hang naar sensatie en roddel. Want Wilkes was naast een stijlvolle voetballer ook een man met zinnelijke uitstraling. Narcisme was hem niet vreemd. Vandaar dat hij ook zijn grootste triomfen vierde in Italië bij Torino en Internazionale, en in Spanje bij Valencia en Levante. Wilkes glorieerde wanneer hij applaus kon oogsten, werd aanbeden en zijn ego werd gestreeld.

Wilkes speelde 38 maal voor het Nederlands elftal en maakte daarin 35 doelpunten. Pas in 1997 werd zijn record gebroken door Dennis Bergkamp, een voetballer die door Wilkes werd bewonderd. Zo vertelde hij vlak voor Bergkamps mijlpaal in een interview. „Hij heeft iets wat Italiaanse en Spaanse voetballers hebben, hij is zoals ik artistiek en speels.”

De woorden van Herman Kuiphof, de sportcommentator die Wilkes zag opgroeien, zijn van onschatbare waarde. Hij refereerde aan de entree van Faas in het trainingskamp van het Nederlands elftal in 1946 „toen hij de Wondertent van Karel Lotsy van VUC binnenstapte, om met het Nederlands elftal te trainen en naar Karel Lotsy’s donderrede te luisteren. Erg onder de indruk van die gezwollen taal van Lotsy zal hij niet geweest zijn, want hij was een nuchtere Rotterdammer. Hij viel toen wel op door goed gekleed te zijn, wat kort na de oorlog niet vanzelfsprekend was, ook niet voor voetballers.”

Wilkes maakte zijn debuut als 17-jarige bij het Rotterdamse Xerxes. Hij kon met zijn broer Leen naar MVV in Maastricht, een semiprofclub, maar financiële vergoedingen zouden niet voor de laatste maal zijn plannen beïnvloeden. Vandaar dat hij als een der eerste Nederlandse voetballers zijn glorie en materiële rijkdom zocht in Zuid-Europa. Bij Inter Milaan en Torino werd hij een idool. Hij was een mediterrane voetballer, speelde er met passie en scoorde er op zijn manier. Naar Inter ging hij in 1949 voor een salaris van 50.000 gulden per jaar, handgeld: 72.000 gulden.

Faas Wilkes was Nederlander tegen wil en dank. Hij vormde in de jaren vijftig het magische binnentrio van Oranje: Wilkes, Lenstra en Rijvers. De cartoonist Henk Sprenger bedacht in de jaren vijftig en zestig het idool ‘Kick Wilstra’, wie de stripboeken heeft verslonden weet niet beter dan dat Kick Wilstra de beste Nederlandse voetballer aller tijden is. ‘Kick’ verwijst naar Kick Smit, ‘Wil’ naar Faas Wilkes en ‘Stra’ naar Abe Lenstra.

Wilkes was een van de eerste voetballers die op financieel gewin uit was. Daarom trok hij naar Italië en Spanje. Niet dat hij er – naar de huidige maatstaven – rijk van werd. Hij wilde excelleren in een wereld waar voetballers werden bewonderd. In Spanje werd Wilkes toen hij voor Valencia speelde, op gelijke voet geplaatst met ’s werelds beste voetballers van die tijd, zoals Alfredo Di Stefano van Real Madrid en Ladislav Kubala van Barcelona.

Hij keerde terug naar Nederland toen hij al bijna versleten was aan zijn knieën. Fortuna ’54, in die dagen een club die investeerde in topvoetballers, nam hem op in zijn selectie van prominenten. Daar kreeg hij wat hij begeerde, ook in Nederland: aandacht en geld. Tot zijn 38ste speelde hij nog voor het Nederlands elftal.

Faas Wilkes speelde nooit voor Feyenoord, de club van zijn stad. „Ik wilde 100.000 gulden in twee jaar. Ze keken of ze water zagen branden. Ze begrepen niks van geld. Ik had best voor Feyenoord willen spelen. Ik vond het altijd heerlijk in de Kuip te spelen. Ik heb er een keer met Valencia gespeeld. De Kuip zat bomvol en ik speelde fantastisch. Ik werd toegejuicht in Rotterdam. Heerlijk.”

Op een avond in 1999 meldde Faas Wilkes zich in vol voetbalornaat in de Amsterdam Arena voor de ‘voetbalwedstrijd van de eeuw’, uitgenodigd door Johan Cruijff. In voetbalbroek, met daaronder de knokige benen met versleten knieën. Alle grootheden van nu en weleer waren aanwezig. Alleen Abe Lenstra niet, die was intussen overleden. Maar wie aan Lenstra dacht, dacht aan Faas Wilkes, de voetballer die als weinig Nederlandse voetballers het publiek heeft kunnen betoveren.