Een klaverblauwtje verrast de kenner

Er zijn nog maar weinig vlinders in Nederland. De hoop is gevestigd op de Sint Pietersberg waar zeldzame soorten weer zijn gesignaleerd. Ecologen beheren het kalkgrasland met zorg, alleen moeten de schapen weinig poepen.

Het gaat goed met de koninginnepage. De dagvlinder wordt sinds kort niet meer in zijn voortbestaan bedreigd. Met dank aan onder meer de klimaatverandering, die de kans op overleven vergroot.

De kans dat je de koninginnepage ziet fladderen is groot op de Sint Pietersberg in Maastricht. Hij vliegt op de zuidelijke hellingen van de berg, vlak langs de Duivelsgrot, een voormalige mergelwinningsplaats. En om de hoek, op het schrale heidegrasland van de Cannerhei op de westelijke helling, vastgeplakt op een steeltje van de wilde peen, zit de rups van de koninginnepage, geel en groen en zwart gestreept. Misschien al klaar om nog dit seizoen uit te vliegen, vertelt ecoloog Robert Ketelaar van Natuurmonumenten, of anders om als cocon de winter in te gaan en pas volgend jaar te ontpoppen.

De Pietersberg geldt als een vlinderparadijs, een van de weinige plaatsen in Nederland waar nog stevig wordt gefladderd. Op de zeldzame kalkgraslanden komen veertig soorten dagvlinders voor van de 52 soorten die Nederland rijk is.

In de rest van Nederland gaat het ronduit slecht met de dagvlinders. Zowel zeldzame als algemene dagvlinders zijn sinds vijftien jaar aanzienlijk afgenomen, zo blijkt uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Vorig jaar is door de Vlinderstichting een nieuwe lijst samengesteld van bedreigde soorten, de zogenoemde Rode Lijst, en daaruit blijkt dat sinds 1995 het aantal bedreigde soorten dagvlinders is gestegen van 41 naar 48 soorten. Uit Europees onderzoek bleek dit voorjaar bovendien dat de verspreiding van dagvlinders de afgelopen kwart eeuw in 45 onderzochte landen met ruim 10 procent is gedaald. In België, vooral Vlaanderen, was de achteruitgang met meer dan 75 procent het sterkst, Nederland staat in dit onderzoek op een gedeelde tweede plaats, samen met Italië, Duitsland en Groot-Brittannië. Oorzaak is doorgaans het verlies aan leefgebied van de vlinders, dat wordt bebouwd of ontgonnen voor de landbouw, en ook milieuvervuiling.

Een koninginnepage op de Pietersberg is eigenlijk niet meer zo bijzonder, vertellen de boswachters en ecologen van de Vlinderstichting en van Natuurmonumenten. Ook van een icarusblauwtje kijken de deskundigen niet op. Enthousiaster reageren ze op het verhaal van een wandelaar, een bekende vlinderteller, die zojuist een klaverblauwtje heeft gezien. „Ja, die is betrekkelijk zeldzaam”, vertelt projectleider Michiel Wallis de Vries van de Vlinderstichting.

Er worden succesjes geboekt op de schamele vijf hectare kalkgrasland, een kwart van het areaal in heel Nederland. Zoals het gestegen aantal waarnemingen van niet alleen het klaverblauwtje, maar ook het bruin dikkopje, het boswitje, en de veldparelmoervlinder. Naar de laatste soort heeft vlinderdeskundige Michiel Wallis de Vries studie verricht. Wallis de Vries: „Het was een sneu verhaal. Er was een herstelplan in de maak en juist toen dat klaar was, bleek de veldparelmoervlinder verdwenen uit Nederland, namelijk langs het Julianakanaal in Limburg en op de Pietersberg. Gelukkig heeft de vlinder zich een paar jaar geleden vanuit het Waalse deel van de Pietersberg weer in Nederland gevestigd.”

Vereniging Natuurmonumenten, die het grootste deel van de natuur op de Pietersberg bezit en beheert, wil het areaal bloem- en kalkrijke graslanden ter plaatse de komende jaren uitbreiden.

Het begin is er. De meeste boeren zijn er verdwenen, voormalige landbouwgronden zijn aangekocht en worden omgezet in natuur, onder meer door het kappen van eiken. Op de waardevolle grashellingen zijn de knoesten van gekapte exemplaren nog zichtbaar, en op één ervan staat Harry Suilen uitgebreid te telefoneren. Hij is beheerder van Natuurmonumenten in Zuid-Limburg. Suilen: „Wij hebben altijd veel uit te leggen aan de omwonenden hier. Wij kappen natuurlijk geen hele bossen. Maar af en toe moeten er wat bomen verdwijnen.” Hij wijst naar opschietende acacia’s. „Die halen we weg. Zulke bomen geven veel schaduw, de bladeren vallen en verhinderen de ontwikkeling van het kalkgrasland. Als we het goed uitleggen, heeft meestal zo’n 80 procent van de omwonenden er begrip voor.”

Volgens een „zeer ingewikkeld” schema wordt bovendien een kudde van ruim 250 schapen uitgezet op de hellingen, in combinatie met af en toe maaien, om een voor vlinders zo gevarieerd mogelijk grasland te krijgen. De schapen vreten lang niet alles, „ze nemen alleen de lekkerste hapjes”, en ook is het zaak de schapen vroeg in het voorjaar bijvoorbeeld tussen de brandnetels te zetten, als die nog niet branden en goed eetbaar zijn. ’s Avonds worden de schapen weggehaald, „want ’s avonds valt de meeste mest”, en ook dat is schadelijk voor deze graslanden, waardevol door de combinatie van een kalkrijke bodem en het zure milieu door de afzetting van grind en zand door de Maas. Beheerder Suilen toont samen met ecoloog Ketelaar met trots enkele plantensoorten die het weer goed doen, zoals kalketrip, een distelsoort met veel nectar.

Bij alle inspanningen om de vlinders terug te lokken naar de Pietersberg blijft er één spelbreker. De mens. Zo ligt het gekoesterde kalkgrasland voor de Duivelsgrot vol met bierblikjes en lege drankflessen. Resten van een feest dat hier vannacht is aangericht. Suilen: „Dit is een populaire plaats onder jongeren. Iedere Maastrichtenaar heeft hier vroeger wel iets stiekems gedaan.” Zijn zulke populaire plaatsen in de natuur niet ook goed voor het maatschappelijk draagvlak voor natuurbeheer? „Dat misschien wel”, geeft beheerder Suilen toe. „Maar laat ze de rotzooi dan in elk geval opruimen.”