Een geniale dribbelaar met zinnelijke uitstraling

De beste en mooiste dribbelaar die het Nederlands voetbal heeft gekend, is gisteren verleden. Faas Wilkes werd in de jaren vijftig en zestig bewonderd om zijn mediterrane uitstraling en manier van voetballen.

Voor wie hem nog heeft zien spelen bestaat er nauwelijks twijfel: Faas Wilkes is de meest elegante voetballer die Nederland heeft gekend. Zijn dribbels, zijn kap- en draaibewegingen, zijn onnavolgbare solo’s en zijn talrijke, vaak wonderbaarlijk mooie doelpunten brachten een halve eeuw geleden liefhebbers in Nederland, Italië en Spanje in verrukking. Hij was het idool van Johan Cruijff, de enige Nederlander die hem decennia later mogelijk heeft kunnen overtreffen in voetbalgenialiteit. Gisteren overleed Servaas Wilkes in zijn geboorteplaats Rotterdam op 82-jarige leeftijd aan een hartstilstand.

Mocht Wilkes in deze tijd hebben gevoetbald, dan was hij een megaster geweest. Hij zou zijn gevolgd door alle media en tv-zenders met een hang naar sensatie en roddel. Hij zou zijn aanbeden door mannen en vooral door jonge vrouwen, met alle mogelijke gevolgen van dien. Want Wilkes was naast een stijlvolle voetballer ook een man met zinnelijke uitstraling. Een Latijnse man, die zich graag vertoonde en gretig zijn talenten voor een groot publiek etaleerde. Narcisme was hem niet vreemd. Vandaar dat hij ook zijn grootste triomfen vierde in Italië bij Torino en Internazionale Milaan, en in Spanje bij Valencia en Levante. Wilkes glorieerde wanneer hij applaus kon oogsten, wanneer hij werd aanbeden en zijn ego werd gestreeld. En waar vond de lange Wilkes met zijn donkere, golvende kuif die aandacht meer dan in de mediterrane sferen.

In dienst van het Nederlands elftal maakte Wilkes 35 doelpunten; hij speelde 38 keer. Pas in 1997 werd zijn record gebroken door Dennis Bergkamp, een voetballer die door Wilkes werd bewonderd. „Hij heeft iets wat Italiaanse en Spaanse voetballers hebben, hij is zoals ik artistiek en speels’’, vertelde Wilkes vlak voor Bergkamps mijlpaal. We wandelden van zijn modezaak Monisima aan de Coolsingel van Rotterdam naar een belendend café. Ik herinnerde me zijn swingende tred en vroeg hem of hij nog één keer iets van zijn elegantie kon laten zien. Een lantaarnpaal als tegenstander. Faas, 73 jaar toen, keek naar zijn benen en verontschuldigde zich. Zijn knieën waren versleten, al die operaties hadden van hem een invalide vedette gemaakt. Weemoed en teleurstelling gaan vaak hand in hand.

Woorden van Herman Kuiphof, de sportcommentator die Wilkes heeft zien opgroeien, zijn doorgaans van onschatbare waarde. Hij refereerde eens aan de entree van Faas in het Nederlands elftal in 1946: „Toen hij de Wondertent van Karel Lotsy van VUC aan de Haagse Schenkkade binnenstapte, om met het Nederlands elftal te trainen en naar Karel Lotsy’s donderrede te luisteren was hij niet erg onder de indruk van diens gezwollen taal. Faas was een nuchtere Rotterdammer. Hij viel op door zijn smaakvolle kleding, wat kort na de Tweede Wereldoorlog niet vanzelfsprekend was, ook niet voor voetballers.’’

Wilkes werd geboren in het Oude Noorden, een Rotterdamse volkswijk. Zijn vader had een verhuisbedrijf. Hij begon met voetballen bij Hion in Crooswijk. Als 17-jarige maakte hij zijn debuut bij het Rotterdamse Xerxes. Hij kon met zijn broer Leen naar MVV in Maastricht. De voetbalbond hield de overschrijving van Xerxes naar MVV tegen. Wilkes kon in ruil voor twee vrachtwagens (hij dreef met zijn broer een verhuisbedrijf) voor MVV gaan voetballen en zou in Maastricht een filiaal openen. De voetbalbond hield zich echter aan de amateurbepalingen. Vandaar dat hij als een van de eerste Nederlandse voetballers zijn glorie en materie zocht in Zuid-Europa. Bij Inter Milaan en Torino werd hij een idool door zijn Latijnse manier van voetballen. Hij voelde zich thuis bij de Italianen. Tot aan zijn dood bleef hij naar Italië komen. Omdat hij voor eeuwig verliefd was op de Italiaanse stijl, het eten en de mode.

Faas Wilkes was Nederlander tegen wil en dank. Hij vormde in de jaren vijftig het magische binnentrio van Oranje: Wilkes, Lenstra en Rijvers. De cartoonist Henk Sprenger bedacht in de jaren vijftig en zestig de stripfiguur ‘Kick Wilstra’. Wie deze boeken heeft verslonden weet niet beter dan dat Kick Wilstra de beste Nederlandse voetballer aller tijden is. ‘Kick’ verwijst naar Kick Smit, ‘Wil’ naar Faas Wilkes en ‘Stra’ naar Abe Lenstra, met de latere Cruijff en Wilkes het mooiste dat Nederland als voetbalnatie heeft kunnen bieden.

Faas Wilkes was een van de eerste voetballers die op financieel gewin uit was. Wat in zijn tijd niet alleen tegen de regels was, maar ook als een doodzonde werd ervaren in het conservatieve Nederland. Jarenlang vertoefde Wilkes daarom in Italië en Spanje. Niet dat hij er – naar de huidige maatstaven – rijk van werd. Faas Wilkes was zijn tijd ver vooruit. Hij wilde excelleren in een wereld waar voetballers werden bewonderd en daarnaast financieel werden gehonoreerd.

In Spanje werd Wilkes bij Valencia op gelijke voet geplaatst met ’s werelds beste voetballers van die tijd, zoals Alfredo Di Stefano bij Real Madrid en Ladislau Kubala bij Barcelona. In het stadion van Real Madrid werd hij eens toegezongen, nota bene als speler van Valencia. En nog jaren later wisten Spanjaarden te vertellen wie en hoe goed Wilkes was. Nooit miste hij een wedstrijd, nooit viel hij in, nooit was hij reserve. Hij kopte nooit. ‘Het hoofd is om mee te denken, niet om mee te voetballen’, zei hij tegen zijn ploeggenoten. Valencia was in die tijd nummer drie van Spanje, na Real en Barcelona.

Hij keerde terug naar Nederland toen hij zijn knieën al bijna versleten waren. Fortuna ‘54, in die dagen een club die als eerste investeerde in topvoetballers, nam hem op in zijn selectie van prominenten als Appel, Van der Hart en De Munck. Tot zijn 38ste speelde hij nog voor het Nederlands elftal.

Faas Wilkes speelde nooit voor Feyenoord, de club van zijn geboortestad. „Ik wilde 100.000 gulden in twee jaar”, vertelde Wilkes in 1997. „Ze keken of ze water zagen branden. Ze begrepen niks van geld. Ik had best voor Feyenoord willen spelen. Ik vond het altijd heerlijk in de Kuip te spelen. Ik heb er een keer met Valencia gespeeld. De Kuip zat bomvol en ik speelde fantastisch. Ik werd toegejuicht in Rotterdam. Heerlijk.”

In 1949 kon hij voor een salaris van 50.000 gulden per jaar naar Inter Milaan, handgeld: 72.000 gulden. Wilkes ging er op in. Hij was een mediterrane voetballer, hij speelde er met mediterrane passie, dribbelde en scoorde er op zijn manier. Zoals later bij Valencia en in mindere mate bij Levante in Spanje. Wat blijft is de herinnering aan een elegante voetballer, een humoristische, minzame man. Op een gedenkwaardige avond in 1999 meldde Faas Wilkes zich in voetbalornaat in de Amsterdam Arena voor de ‘voetbalwedstrijd van de eeuw’. Johan Cruijff had hem uitgenodigd. En daar stond de ‘Mona Lisa van Xerxes’: in voetbalbroek, met daaronder de knokige benen met versleten knieën. Alle grootheden van nu en weleer waren aanwezig. Alleen Abe Lenstra niet, de grootheid naast Wilkes. Die was al overleden.

Wilkes laat een vrouw, vier kinderen en een handvol kleinkinderen na. Zijn grootste zorg was zijn oudste zoon, Faas junior. Die heeft een geestelijke achterstand en is autistisch. Faas senior overleed in de wetenschap dat Faasje in goede handen is bij zijn jongste zoon Michael.