Die schommel is er al vijftig jaar

Nederland verandert hard. De bevolking, het landschap, de normen. Toch zijn er plekken waar de tijd lijkt stil te staan. Zoals in de speeltuin in Nederhemert, Gelderland.

Zelfs de toegangswegen naar Nederhemert-Zuid zijn uit een voorbije tijd. Aan de noordkant vaar je met een pontje over, waar met enige moeite twee auto’s op passen. Aan de oostkant verandert het smalle weggetje al snel in een karrenspoor. Waar de Kerklaan en de Kasteellaan elkaar kruisen ligt de speeltuin, op het bijna-eiland in de Maas bij Heusden. Een poëtische plek met een prozaïsche naam: Speeltuin Nederhemert.

Voor een euro krijg je een stempeltje op je hand en mag je er de hele dag in. Carolien Barger zit met vijf kinderen op de familieschommel. „Heet-ie zo? Wij noemen hem het vliegende tapijt”, zegt Nikè van 9. Het is een lange platte schommel met een houten plankenzitting van zeker één bij drie meter. Hij komt moeizaam op gang en erg hoog gaat hij niet, maar je kunt er met veel mensen tegelijk op heen en weer schuiven.

„Die familieschommel hadden we al voor de oorlog”, vertelt Richard Kastelijn, de derde generatie die de speeltuin exploiteert. Toen hij er zelf nog in speelde, kostte het dagstempeltje een dubbeltje. De kleinzoon is niet van plan ooit iets aan de speeltuin van zijn opa te veranderen. „Ik wil niet groter worden, dan krijg ik alleen maar nog meer regels en gedoe aan mijn kop.”

Het meeste speeltuig stamt uit de jaren vijftig. De minizweefmolen, de bootschommeltjes voor kleuters, de hoge ‘oceaangolver’ – een soort draaimolen die in de rondte én op en neer kan. Alles uitgevoerd in stevig, ongeverfd staal. Een kabelbaantje verdwijnt tussen de bomen. Als je langer bent dan pakweg 1 meter 30 moet je je benen hoog optrekken om niet halverwege al op de grond te staan. De tien meter hoge glijbaan was in de jaren vijftig een superattractie. „Zo’n glijbaan zie je nergens”, zegt Carolien Barger. „Qua kom bedoel ik. Met zo’n smalle, ondiepe glijgoot. Ik denk dat veel mensen denken dat kinderen er zo uit kunnen vallen.” Een ongemotiveerde angst uiteraard. „Als een toestel niet aan de veiligheidseisen zou voldoen, zetten ze het zo op slot”, zegt Kastelijn.

Grootvader Kastelijn pachtte de speeltuin van baron Jacob van Wassenaer, de eigenaar van het landgoed Nederhemert. Zijn zoon, Maurits van Wassenaer, groeide nog op op het familiekasteel – vijfhonderd meter verderop aan de Kasteellaan – dat in het laatste oorlogsjaar in een ruïne veranderde. „Toen werden de Duitsers hier vanaf de overkant van de Maas door de geallieerden beschoten en uitgebrand”, vertelt hij.

Na de oorlog was er geen geld om het te restaureren. De familie verhuisde naar een huis aan de overkant. „Er moest veel geld in de wederopbouw van de huizen op het landgoed gestoken worden. Daardoor heeft mijn vader veel grond moeten verkopen. Er waren meer instellingen die het wilden hebben, maar hij verkocht aan Staatsbosbeheer. Hij geloofde toen nog in de overheid, dacht dat hij dan zeker kon zijn dat het goed behartigd zou worden.”

Die verkoop heeft er in ieder geval voor gezorgd dat er op Nederhemert-Zuid nooit meer iets is veranderd. Althans, dat lijkt zo voor de argeloze bezoeker. „Ik vind juist dat er veel veranderd is”, zegt Nadine van Wassenaer, echtgenote van de baron. „Het was een landgoed, dus in die oude huisjes hier woonden de landarbeiders en hun gezinnen, met veel kinderen. Toen mijn schoonvader het land verkocht, bleven de arbeiders er wonen tot ze dood gingen. In de meeste huizen – 22 op het hele eiland – wonen nu gepensioneerden; mensen uit het westen, dat geeft een totaal andere sfeer. Ze hebben geen band met het eiland en er zijn ook geen kinderen.”

In de speeltuin heerst een afkeer voor romantische nostalgie. Er is geen ‘ouderwets’ meubilair bijgekocht. Op het terras van grint, onder hoge kastanjebomen, zit je op tuinstoelen van plastic. In het houten gebouwtje waar je een ijsje kunt kopen of een pannenkoek eten, hangen geen koperen potten aan het plafond en geen paardenhoofdstel aan de muur. „Het gedeelte met de toonbank is van vlak na de oorlog”, vertelt Kastelijn, „het café is er in 1958 aangebouwd.” De jaren vijftig formicatafeltjes staan er nog, in drie keurig rechte rijen. „Ik sta er met verbazing naar te kijken”, zegt Caroline Barger op de familieschommel. „Die tl-buis boven de toonbank. En die vitrage. Die hing er in de jaren vijftig vast ook al.”

Dit is het vijfde deel van een serie over plekken waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan.