De raad ontslaat de burgemeester - die te veel van de burgers was

Burgemeester Titia Lont moet van de gemeenteraad in Wieringen opstappen, maar de meeste burgers willen dat zij blijft. Uitleg over de gang van zaken komt er niet.

Vriendjespolitiek en een ongekozen gemeentesecretaris die aan de touwtjes trekt. Zo gaat het in Wieringen, zegt Titia Lont, formeel nog burgemeester van de Noord-Hollandse gemeente. Vorige week vroeg de gemeenteraad om haar ontslag.

Ze is misschien iets te enthousiast geweest, zegt Titia Lont (CDA) nu. Voordat ze begin 2005 burgemeester werd in Wieringen, zat ze zeven jaar in de Haagse gemeenteraad. In Wieringen zag Lont „heel veel burgers” die ontevreden waren over hun gemeente. Ze heeft het over een gemeentesecretaris die een medewerker van de plantsoenendienst degradeerde om zijn zwager aan een baan te helpen, over twee agrarische uitzendbedrijven waarvan één bijna alle opdrachten van de gemeente kreeg. Ze vertelt over burgers met klachten die door ambtenaren genegeerd werden. Lont wilde daar wat aan veranderen, het voor de burgers opnemen.

In december 2005, binnen een jaar, meldde ze zich ziek. De gemeenteraad, volgens haar aangevoerd door de gemeentesecretaris, had een „zwartboek” over haar opgesteld en dat bij de commissaris van de koningin Borghouts van Noord-Holland aangeboden. Hoewel ze door de bedrijfsarts ondertussen weer arbeidsgeschikt is verklaard, wil de gemeenteraad nu van haar af.

Het is een politieke crisis, zegt burgemeester Lont. Maar de gemeenteraad behandelt de zaak als een arbeidsrechtelijk conflict over een slecht functionerende werknemer. In een schriftelijke verklaring over de ruzie beperkte de raad zich tot een abstracte omschrijving van de oorzaken van het geschil: „de wijze waarop mevrouw Lont als burgemeester met haar omgeving, haar gezag en bijzondere situaties is omgegaan.”

„Uit democratisch oogpunt zou voor een openbare, degelijke verantwoording veel te zeggen zijn”, zegt Arno Korsten. Hij is hoogleraar bestuurskunde aan de Open Universiteit, en schreef in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken een rapport over burgemeesterscrises.

De raad zou dit soort besluiten „volgens de leer van de transparantie” eigenlijk openbaar moeten verdedigen. Maar, waarschuwt Korsten, je kan een burgemeester op die manier wel volledig ten gronde richten. „Dit soort zaken is vaak moeilijk ten volle in de openbaarheid uit te leggen. Mensen krijgen de neiging hun eigen stoep schoon te vegen. Wat je dan allemaal op tafel krijgt.”

Wat willen de hoofdrolspelers zelf over de zaak zeggen? Lont ziet zich als het slachtoffer van een onwillig ambtenarenapparaat, aangestuurd door een gemeentesecretaris die in de volgens haar naar binnen gerichte cultuur „heel veel macht” had opgebouwd.

Martin Scholten, raadslid van de lokale partij WR05 is door de raad als exclusieve woordvoerder van het gemeentestandpunt aangewezen. Met de bestuurscultuur van de gemeente heeft het niets te maken, zegt hij over de mobiele telefoon, terwijl hij door de Zwitserse bergen wandelt. „Mevrouw Lont had zoiets van: ‘Ik ben burgemeester, ik ben de baas’. Ze schoffeerde de raad, zei dat wij niet kritisch genoeg waren. Ook het ambtelijke team deugde niet.” Maar de raad, zegt Scholten, is nog altijd de baas.

Wieringers, en hoe je daar mee om moet gaan, daar draait het om in deze burgemeesterscrisis. Volgens Lont probeerde zij burgers de „hoognodige” zeggenschap te geven in het bestuur van hun gemeente. Volgens Scholten was dat helemaal niet hoognodig: „Mevrouw Lont had vooral een ongelukkige hand van de verkeerde vriendjes kiezen.”Hij heeft haar daar nog voor gewaarschuwd, zegt Scholten. „Het waren allemaal mensen die een appeltje met de gemeente te schillen hadden. Daarmee heeft ze zich natuurlijk ontzettend populair gemaakt. De waarheid van burgers werd haar waarheid.”

Een enquête, gehouden door het Noordhollands Dagblad wees anderhalve maand geleden uit dat bijna 90 procent van de Wieringers wil dat Lont weer terug zou keren in haar functie. Een „ruime meerderheid” zag het ambtelijk apparaat als oorzaak van veel problemen, zo schrijft de krant.

Volgens Scholten koos Lont te veel partij voor de klagende burgers. „Ze schroomde niet om de gemeente zwart te maken. Ambtenaren deugden niet, de kwaliteit is niet goed.” Zij was overigens niet de enige die zorgen had over de communicatie tussen burgers en de ambtelijke organisatie. „Er was een periode dat ook de raad ontzettend kritisch was. Maar vriendjespolitiek of gesjoemel, dat was het niet.”

Ze pakte gewoon „probleemdossiers op” op waar al jaren niets aan gedaan was, zegt Lont. Daar schrokken ze op het gemeentehuis van. „Niets is minder waar”, reageert Scholten. Wat Lont vooral deed, was zonder vooraf overleg met ambtenaren of wethouders, toezeggingen doen, en vervolgens haar eigen organisatie de schuld geven als ze die niet kon waarmaken. Met als resultaat conflicten met de wethouders, de ambtenaren en de raad, zegt Scholten.

Wie gelijk heeft, zal waarschijnlijk niet duidelijk worden. In deze politieke kwestie vindt geen politieke verantwoording plaats. Er komt bijvoorbeeld geen raadsdebat over de zaak. Omdat het, zo schrijft de gemeenteraad, om „een personele kwestie rond de burgemeester gaat”.

Hoogleraar Korsten weet niet wat er precies gebeurd is in Wieringen. Maar hij zegt wel dat veel burgemeesters zich „vogelvrij” voelen. „Als een gemeenteraad het op de heupen krijgt, heeft de burgemeester geen eigen fanclub om op terug te vallen.”

De burgemeester is afhankelijk van de raad die hem kiest, en weer kan wegsturen. Tegelijk wordt van de burgemeester een onafhankelijke opstelling verwacht. Hij is tenslotte voorzitter van zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders – de twee onderdelen van het gemeentebestuur die als controleur en uitvoerder tegenover elkaar staan. „De checks and balances in het systeem zijn niet zo verschrikkelijk sterk”, zegt Korsten. Zonder eigen machtsbasis betekent dit dat burgemeesters vooral voorzichtig en rustig hun gezag moeten opbouwen, zegt hij. Te ver vooruit lopen is vragen om moeilijkheden.

Titia Lont wil haar ontslag aanvechten. Niet dat ze er hoge verwachtingen van heeft. Maar „een stukje rehabilitatie” zou ze wel willen. „Ik wil nog wel eens ergens kunnen solliciteren.”