Comeback van oorlogstaal

Meer dan zestig jaar heeft schrijver Günter Grass gewacht, voordat hij onthulde dat hij in 1944, in de eindfase van de Tweede Wereldoorlog als 17-jarige jongen bij de Waffen-SS diende. Veel bijzonderheden gaf Grass niet, dit weekeinde in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Het wachten is op zijn autobiografie. De wetenschap dat Grass’ 10de SS Pantserdivisie Frundsberg bij de eindstrijd in mei 1945 Hitler in het belegerde Berlijn wilde bevrijden, geeft wel ongeveer de sfeer aan.

De schrijver heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij tot aan de Neurenbergse processen, toen een reeks Nazi-kopstukken onder auspiciën van de geallieerden veroordeeld werd, in Hitlers zaak bleef geloven, dus dat is niet nieuw. Ik ben het wel eens met de filosoof Rüdiger Safranski, gisteren in een vraaggesprek met Deutschlandradio Kultur, dat de stilte van 62 jaar ook geen afbreuk doet aan de betekenis van zijn literaire werk, maar fnuikend is voor de waardering van zijn politiek activisme. In 1985 protesteerde de schrijver luid tegen het bezoek dat bondskanselier Kohl en de Amerikaanse president Reagan aan het soldatenkerkhof in Bitburg brachten, waar ook SS’ers lagen. Hij zei toen niet: „Ik had daar ook kunnen liggen.” Pijnlijk zijn achteraf ook zijn vermaningen aan voormalige DDR-intellectuelen, toen na 1989 een stroom van bijzonderheden over de Oost-Duitse politiestaat bekend werd: „Wie zwijgt, stemt toe.”

Wat de eindstrijd van Nazi-Duitsland in de praktijk betekende, was toevallig maandag op Arte te zien in de documentaire Bunker van Martina Reuter en Gavin Hodge. SS’ers vochten tot de laatste snik door, de zichtbare zekerheid van de nederlaag speelde geen enkele rol in hun overwegingen. Toen duizenden burgers die in het centrum van Berlijn in bunkers zaten, massaal naar een uitweg door de tunnels van de metro zochten, was dat geen reden om die niet onder water te zetten om de Russische opmars te stuiten, of om op overvolle perrons vuurgevechten aan te gaan.

Voor de overwegingen en de mentaliteit die militairen, die ook gewone mensen zijn, tot zulk gedrag brengen, bestaat natuurlijk in vredestijd geen enkel begrip – in die zin lijkt me Grass’ lange zwijgen wel verklaarbaar. Gedrag dat in een oorlog voor combattanten vaak vanzelfsprekend of zelfs heroïsch is, geldt in vredestijd als volstrekt onaanvaardbaar en perfide. De gevierde auteur zal terecht hebben gedacht, dat er voor zijn hardcore oorlogsherinneringen, de herinneringen van een dader, eigenlijk geen emplooi bestond in naoorlogs Duitsland.

Inmiddels lijken logica en taal van de oorlog aan een comeback bezig, in Duitsland en in de rest van de wereld. De doelstellingen van de Navo in Afghanistan mogen nog zo eerzaam zijn – het wordt mij koud om het hart als ik Navo-functionarissen hoor zeggen „dat onze missie daar niet zal mislukken omdat zij niet mag mislukken”. Richard Holbrooke noemde de strijd in Afghanistan vrijdag in deze krant overigens terecht een „oorlog” – een term die de meeste Nederlandse politici nog uit de weg gaan. Hij schrijft – onder verwijzing naar het jaar 1914 waarin uit schijnbaar lokale conflicten één wereldoorlog ontstond – dat de oorlogen in Irak, Libanon en Afghanistan en het optreden van Al-Qaeda als de facetten van één en dezelfde oorlog in wording kunnen worden gezien.

In die zin zijn de tientallen Irakezen die dagelijks bij wrede aanslagen en andere wandaden in Bagdad de dood vinden, slachtoffers van een oorlog die ook de onze is. Nog lijkt de onmenselijkheid daarin vooral zaak van onze tegenstander. Maar ook wij zijn ontvankelijk voor de logica van de oorlog. Grass moet over zijn SS-tijd vooral veel vertellen.

woensdag@nrc.nl