Vertel de Indische verhalen steeds weer

Nederland heeft vandaag in Den Haag de capitulatie van Japan herdacht, waarmee 61 jaar geleden een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Bij het Indisch monument sprak schrijver Adriaan van Dis.

Indië. De naam valt steeds vaker als ik mijn 96-jarige moeder bezoek. Laatst wachtte ze me op met een oud fotoalbum op haar knieën en toonde mij sepiakleurige foto’s van een jonge vrouw in een witte jurk tussen bruine militairen. Daar stond ze, midden in de rimboe van zuidwest-Sumatra, omringd door koeboes met botjes door hun neus, of aan boord van een raderboot. (De hekwieler Johanna II… voor het eerst van mijn leven hoorde ik het woord ‘hekwieler’.) Ik had die foto’s nooit eerder gezien. „Meen je dat nou?”, vroeg ze verbaasd. Mijn moeder – zeer helder van geest – heeft zo haar eigen verhalen en zíj bepaalt tot welke ik word toegelaten. En wanneer. Nog altijd hoor ik nieuwe kampverhalen. Zoals de anekdote over een vriendin die haar bijbel vel voor vel als vloeipapier uitventte. Toen de vrede werd bekendgemaakt, was ze net aan de laatste Openbaring van Johannes toe – de oorlog had voor haar niet veel langer moeten duren. Bij het vorige bezoek hoorde ik over de verstikkende liefde van een Japanse kampcommandant voor een vrouwelijke gevangene. Ik vraag er niet naar.

Meestal worden die verhalen ingegeven door een gebeurtenis in het heden. Toen het land laatst op z’n kop stond omdat sommige asielzoekers bij aankomst in Nederland een nieuwe naam of land van herkomst verzinnen, haalde ze herinneringen op aan hoe je in de oorlog je leven, en vooral het leven van je kinderen, soms met een leugentje moest redden.

Zo langzamerhand heb ik heel wat verhalen over Indië in mijn hoofd. Iedereen die daar vandaan komt heeft zijn eigen geschiedenis. En ik mag hier vandaag de mijne vertellen. Gedetailleerd, persoonlijk. Niet om afstand te scheppen, maar om herkenning aan te wakkeren, om de herinnering aan die oorlog levend te houden.

Ik ben niet in Indië geboren. Wel gemaakt. Maar dat telt niet. [Vervolg HERDENKING: pagina 6

Vertel de Indische verhalen steeds weer

HERDENKING

[Vervolg van pagina 1] Ik ben in 1946 naar Holland gerepatrieerd, in de buik van mijn moeder. Telt nog minder. Ik heb de oorlog niet meegemaakt. Niet in een kamp gezeten. Toch hoor ik bij Indië. Bij het Indië van mijn ouders en halfzussen – die ik altijd zussen heb genoemd. Mijn moeder woonde er bijna twintig jaar. Haar eerste man, die ze op de Koninklijke Militaire Academie in Breda ontmoette, kwam uit een Hollands-Javaans-Menadonese familie. Hij werd in de oorlog door de Japanse bezetter onthoofd. (Hoort u hoe netjes ik ‘Japanse bezetter’ zeg? Thuis hebben we het natuurlijk gewoon over de Jap.) Mijn drie bruine zussen zaten samen met hun moeder drieënhalf jaar in het kamp.

De man die later mijn vader zou worden, woonde de eerste dertig jaar van zijn leven in Indië. Ook hij diende bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. KNIL – ik kan het alleen maar met zíjn accent uitspreken. Hij zat als krijgsgevangene in vele kampen. Overleefde met een paar honderd man de torpedering van de Junyo Maru, waarbij meer dan 5.600 mannen verdronken – militairen, maar vooral veel romusha’s – Javaanse dwangarbeiders. Het vergaan van de Junyo Maru is nog steeds de grootste scheepsramp in de wereldgeschiedenis.

Mijn vader werkte aan de dodenspoorlijn Pakan Baru, in midden-Sumatra. Toen hij zich na de bevrijding in een evacuatiekamp in Palembang bij mijn moeder aandiende, stelde hij voor haar nog als vermist genoteerde man op te sporen. Het was geloof ik niet echt de bedoeling dat zich uit die geste een kind zou opdringen. Verkeerd gezocht zullen we maar zeggen. Maar ik was welkom. En zo hoor ik óók bij de oorlog in Indië. Als vredeskind, het bewijs dat de oorlog voorgoed voorbij was.

Maar was ie thuis voorbij?

We zongen de kampliedjes onder de afwas. „Heb je wel gehoord, van de Jap die is gesmoord in een pot met bruine bonen.” Ik kon tellen in het Japans: itchi, ni, san, shi, go, rokku, shitschi, hatshi, ku, ju. Maleise woorden als tampat (de benauwde slaapplaats in het kamp) gedek (kampomheining) beri beri (hongeroedeem) hoorden tot de rijsttafelwoorden. Mijn eerste Engels was: backpay. En ook dat had een Indisch accent, want het verwees naar het achterstallige salaris dat de Nederlands-Indische regering schuldig was aan gouvernementsambtenaren en KNIL-militairen. Een regering die met het onafhankelijk worden van Indonesië niet meer bestond en die haar verantwoordelijkheid in schimmige commissies ontliep. De bloody limit, ja. Japans, Maleis, Engels – wat de oorlog betrof kreeg ik een internationale opvoeding.

Mijn vader kon erg goed Jappen nadoen. En later Soekarno met een bloempot op z’n hoofd. Maar hij dekte ook de tafel met een liniaal als een kampcommandant. Sloot zich overdag op en lag in het donker te tellen. Bang dat hij weer in woede zou uitbarsten. Een woede die niemand begreep. Van een kampsyndroom hadden we toen nog niet gehoord. Mijn vader was niet ziek. Over de oorlog zeurde je niet. Wij waren flink. Zijn dood, elf jaar na de capitulatie van Japan, was een verlossing.

En nu sta ik als man van bijna zestig over de oorlog van mijn ouders en zussen te praten. Ik schreef er over. Behoor tot de tweede generatie. De oorlog van mijn familie heeft ook mij gevormd. Maar ik mag niet met hun oorlog aan de haal gaan. Hoe graag ik daar als kind ook bij wilde horen – bij hun kleur, bij hun sterke verhalen, bij het heldendom achteraf – het is hún oorlog. Zij hebben het meegemaakt, 28.000 kilometer zuidoostwaarts. Wél mag ik hun oorlog herdenken: hun honger, hun angsten, hun pijn. De schuldgevoelens van mijn vader, omdat hij de torpedering overleefde en zijn kameraden niet. Ik herdenk de vader van mijn zusjes en het verdriet dat hun door zijn wrede en vroege dood is aangedaan.

Ik herdenk de helden over wie thuis is verteld. Ik herdenk de wondere staaltjes vrouwenmoed. Ik herdenk hoe dun het laagje beschaving van de meeste mensen is, ongeacht hun kleur of cultuur.

Ik sta op een dag als deze ook stil bij de vernederingen van ná de oorlog. De rekening die mijn vader bij het ontslag uit de militaire dienst gepresenteerd kreeg voor een verloren uniform omdat hij na drieënhalf jaar krijgsgevangenschap en maanden zware dwangarbeid slechts met een schaamlap het kamp uit kwam. Ik herdenk het gevecht van mijn moeder om haar eerste man te rehabiliteren, een luitenant die buiten het kamp bleef en een verzetsgroep hielp oprichten. Na de oorlog, in de verwarrende jaren van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, konden de Nederlandse autoriteiten maar moeilijk geloven dat een bruine man die zo van zijn land hield toch voor Koningin en Vaderland had gekozen. Zou hij niet als zoveel anderen met de nationalisten hebben geheuld? De bewijzen van zijn moed kwamen toch boven water. De medailles werden postuum alsnog toegekend. Maar voor mijn moeder was na alle beledigingen de lol er af om ooit bij een officiële staatsherdenking aan te schuiven.

Het zijn allemaal persoonlijke dingen, al besef ik dat er vele families zijn die een veel aangrijpender verhaal kunnen vertellen. Maar deze mensen hebben voor mij geen gezicht, even als de meer dan 25.000 Nederlandse doden voor wie het bericht van de bevrijding in Indië te laat kwam. Tot ik nazaten van zo’n dode ontmoet. Met hen voel ik een heimelijke verwantschap, zoals ik dat met alle door oorlog aangeraakte mensen voel. Daarom durf ik hier vandaag te staan. Zij het met huiver.

Aan de ene kant wil ik stilstaan bij de lotgevallen in Indië, aan de andere kant herken ik ook veel van dat verleden in het heden. Nog steeds worden landen bezet, mensen achter prikkeldraad opgesloten of uit hun land gejaagd. Toch wil ik de oorlog van toen niet met hedendaags onrecht vergelijken. De neiging bestaat herdenkingen te actualiseren. Bang als we zijn om niet modern over te komen. Vier van de vijf Nederlanders is van ná de oorlog. Zestig procent van de schooljeugd heeft geen grootouders die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. We willen de jeugd er bij halen. De toekomst van het herdenken zekerstellen, Maar doe je dat door alle narigheid bij elkaar te vegen? Alsof het niet erg genoeg is wat er toen is gebeurd.

Er is een groot verschil tussen herdenken en denken aan. Toen ik eind jaren tachtig bij toeval in de oorlog van Mozambique belandde en door dorpen trok waar de wreedste gruwelen hadden plaatsgevonden – zoals het afsnijden van tweeënvijftig vrouwenborsten die de rebellen in een kist gooiden met als opschrift „groeten aan de president” – werden de gruwelen door de bewoners verzwegen of zo verdraaid dat het niet hén, maar een ander was overkomen, een dorp verderop.

Als ik die mensen sprak, moest ik aan mijn vader denken. Ook hij verschool zich in andermans oorlog – die tegen de Duitsers – en begon het eigen gruwelverhaal zo te verdraaien dat het leek alsof een ander het had meegemaakt. Mogelijk schaamde hij zich voor de eigen vernedering. Hij wilde vooral niet zielig zijn.

Zie ik op het journaal een kind uit een gebombardeerd dorp wegrennen, hangend aan de rokken van zijn moeder, dan denk ik: dat kind zal later het verhaal doorvertellen. Ook al zal de moeder aanvankelijk haar leed verzwijgen. Uiteindelijk beheert de volgende generatie de geschiedenis. Ik ben nu even dat kind aan de rokken van zijn moeder. Maar ik herdenk niet de misère in hedendaagse opvangkampen. Niet vandaag. Daarvoor is het Indisch monument niet opgericht.

Bij het herdenken hoort ook Het Geluk – het verloren geluk van een jeugd in de tropen. De vreugde van het Indisch zijn, aangeraakt door een natuur die je altijd in je mee blijft dragen. Een verleden dat je een beetje vreemdeling in Holland laat voelen. Ik ken dat verlangen uit de zondagse rijsttafelverhalen die opborrelden als er ‘ooms’ en ‘tantes’ uit het kamp langs kwamen, ik ken het zuchten boven fotoalbums. En ik herken het ook bij de nieuwkomers en de grote stroom vreemdelingen die Europa thans overspoelt. Ik denk aan de onvrijheid, oorlog, honger en armoe die zij ontvluchtten, maar ook aan de moeite die sommige Nederlanders hebben om hun wijk of stad met al die vreemdelingen te delen. Mensen die een ander geloof meebrengen, minaretten oprichten en vreemde geurtjes uit hun keukens laten opdampen.

Hoe zouden de Javanen destijds hebben gekeken naar al die witte Hollanders die hun eigen cultuur zo zelfverzekerd op andermans grondgebied kwamen uitdragen? Hollanders die kerken bouwden. Een soos. En die net deden of ze op die verre eilanden thuis hoorden. Ja, er zijn overeenkomsten tussen kolonialen en migranten.

Mijn Indische achtergrond is bepalend voor mijn betrokkenheid met deze tijd. Maar vandaag wil ik vooral herdenken wat er toen is gebeurd. In de Indische Archipel. Aan de spoorweg in Thailand en Birma. In Japanse oorlogswerkplaatsen waar Nederlandse krijgsgevangenen te werk werden gesteld. In Hiroshima en Nagasaki, waar alles vernietigende atoombommen vielen die gevangenen elders bevrijdden. De bom waaraan mijn familie het leven meent te danken. Laat het verleden tot de verbeelding spreken. Door te luisteren naar die persoonlijke geschiedenissen, begrijpen we wat vernedering met mensen doet – en daarmee begrijpen we hopelijk ook de vernederde mensen in het heden.

De Indische verhalen die ons vandaag samenbrengen, zijn het waard steeds weer verteld te worden. Aan de buitenstaanders, de nieuwkomers, onze kindskinderen, van generatie op generatie. Opdat men weet wat het is om met een oorlog en een verloren land in het hoofd rond te lopen.

Adriaan van Dis is schrijver. Hij schreef over zijn Indische jeugd onder andere Nathan Sid (1983), Indische Duinen (1994) en Familieziek (2002).