Van Bint Jbail is bijna niets meer over

In het Zuid-Libanese stadje Bint Jbail staat bijna geen muur meer overeind na 34 dagen oorlog tussen Israël en en de shi’itische organisatie Hezbollah. In het hele zuiden van Libanon is de gevechtsschade enorm.

Het Zuid-Libanese stadje Bint Jbail, drie kilometer van de Israëlische grens, is volkomen verwoest. Israëlische grondtroepen hebben hier drie weken lang zwaar slag geleverd met Hezbollahstrijders. Nu staat er bijna geen muur meer overeind.

Langs de toegangsweg die vanuit Tibnine in het noorden via Beit Yahoun – waar de Israëlische troepen tot in 2000 een controlepost hadden – naar Bint Jbail leidt, zie je al de sporen van de Israëlische tanks en de straatgevechten. Midden op straat staan uitgebrande personenwagens en waar nog muren staan zijn die doorzeefd met kogelgaten.

Maar daar is het in het oorspronkelijk 15.000 inwoners tellende stadje niet bij gebleven. Nadat de Israëlische soldaten Bin Jbail hadden ontruimd werden luchtmacht en artillerie ingezet om dit Hezbollahbolwerk van de aardbodem te vegen. Abu Firas, 45 jaar oud en vader van drie, heeft de slag om Bint Jbail en de verwoesting van de stad meegemaakt. Zijn huis is gedeeltelijk ingestort. „Het was verschrikkelijk”, zegt hij, wijzend op de betonnen en stalen skeletten van de verwoeste stad. Volgens Ali leven er nog enkele bewoners, vooral bejaarden, temidden van het puin. „Deze arme mensen zijn allemaal zwaar getraumatiseerd”, zegt hij.

In Bint Jbail en omgeving is de burgerbevolking al die tijd geen enkele hulp geboden. Israël had een vervoersverbod afgekondigd en ziekenwagens die probeerden mensen te evacueren werden vanuit de lucht bestookt. „We moesten het hier ook weken haast zonder eten stellen en we waren tot vanochtend helemaal van de buitenwereld afgesneden”, vertelt Firas.

Op de rotonde bij de weg naar het christelijke dorp Rumeish, zeven kilometer naar het westen, staan Libanese hulpverleners te praten met enkele overlevenden die een paar uur eerder uit hun kelders te voorschijn zijn gekomen.

Haj Hussein Haidar haalt met een ziekenwagen van het Libanese Rode Kruis een een vrouw en haar dochter op die vanuit Bint Jbail naar het ziekenhuis van Tibnine, 15 kilometer noordwaarts, worden gebracht. Daar in het ziekenhuis is er niet voldoende opvangmogelijkheid voor alle gewonden uit de dorpen in de omgeving. Een tiental oudere vrouwen slaapt op de grond met dekens en matrassen, op de gang en in trapportalen. De vrouw uit Bint Jbail krijgt zuurstof toegediend. Haar dochterje staat stil bij haar bed.

Ook in Tibnine en verder naar het noorden, in Jibchit, Harouf en Kfar Joz, is de schade groot. In de kern van deze dorpen zijn alle huizen verwoest en ook langs de wegen zijn veel gebouwen gebombardeerd. In het christelijke dorp Deir Dghaya getuigen zwartgeblakerde gebouwen van de bombardementen. In het centrum staat een flatgebouw nog altijd in brand. Uit alle ramen van het vier verdiepingen tellende gebouw schieten vlammen omhoog. Ook de benzinestations zijn in het hele zuiden systematisch gebombardeerd. Geen van de dorpen heeft nog stroom of drinkwater.

In Harouf vertelt Nawal (39), de zus van Feisal Komaiha – een shi’itische vluchteling uit Kfar al-Sir bij de eveneens zwaar getroffen stad Nabatiye over wie de krant al eerder berichtte – dat er ook hier in de nacht en de ochtenduren voor het bestand nog bijzonder hard is gebombardeerd. 200 meter verderop is een hele rij huizen met de grond gelijk gemaakt. „We leefden 34 dagen lang in een hel”, zegt Nawal. Ze wijst op haar kinderen. Feisal is opgelucht en blij dat hij eindelijk zijn zuster terugziet, maar zelf laat hij voorlopig liever zijn vrouw Oula en zijn vier kinderen in Oost-Beiroet.

Op het centrale plein van het dorp staat een grote afbeelding van Hezbollahleider Nasrallah en op de elektriciteitspalen voor Nawals huis wappert de Hezbollahvlag. Hussein Jawad al-Khatib, een neef van Feisal die voor ingenieur studeert, vertelt dat er hier vlakbij tot een uur voor het bestand vlakbij raketten insloegen. „De Israëlische acties zijn barbaars; ze gaan als wilden te keer”, commentarieert Hussein boos.

Vanuit Beiroet en andere plaatsen kwam gisteren onmiddellijk na het ingaan van het staakt-het-vuren, om acht uur in de ochtend, een enorme vluchtelingenstroom terug naar het zuiden op gang. Die impulsieve terugkeer van ontheemden creëerde meteen een grote chaos op de zwaar beschadigde wegen. Het leger probeert met bulldozers de kraters in de wegen naar het zuiden te dichten. Maar door alle noodzakelijke omwegen rond getroffen bruggen en de verkeerschaos duurt de reis van Beiroet naar Bint Jbail – 90 kilometer in vogelvlucht- nu bijna vijf uur.

De hoofdzakelijk shi’itische bewoners van dit zuiden keken al weken met spanning uit naar wat ze bij de terugkeer in hun stad of dorp zouden aantreffen. Voor de oorlogvoerende partijen en de Libanese overheid creëerden ze voldongen feiten door hun massale terugkeer, wat de onduidelijke toestand op het terrein nog complexer maakte.

Zelfs het Libanese leger weet kennelijk niet waar de Israëlische troepen precies posities hebben ingenomen. In Tibnine waarschuwt een Libanese officier dat er zich vijf kilometer naar het zuiden Israëlische troepen bevinden die op alles schieten wat hen nadert. Maar bij het Libanese Rode Kruis weten ze wel beter. De Israëlische troepen en tanks bevinden zich veel meer naar het oosten, langs de rivier de Litani, en ze staan daar nog altijd tegenover strijders van Hezbollah een paar kilometer verderop in de heuvels.