Recht op pygmeeën

In Kameroen doen pygmeeën voor de toeristen huppelpasjes op ‘original pygmy music’, die uit een gettoblaster in een hut blijkt te komen. Verslag van een beschamend bezoek in het oerwoud.

Aangezien de regen al dagen achtereen met bakken uit de hemel valt, stelt mister Nkoe, de eigenaar van de First International Travel Agency, voor om de trip naar ‘Real Pygmyland’ te schrappen. Hij kan de pot op. We zijn nota bene speciaal voor de pygmeeën naar Kameroen gekomen.

Met Elyssee achter het stuur en Silas als gids vertrekken we in alle vroegte naar het zuiden. We hebben zout, zeep en lucifers bij ons als geschenken. Op de piste naar Kribi rijdt de Landrover zich vast in de modder. Na de afslag Lolodorf gebeurt het nog twee keer. Toch komen we dezelfde dag nog oog in oog met de Baka pygmeeën te staan: mannen, vrouwen en kinderen die werden verdreven door de houtkap en opgevangen in barakken.

„Wat zijn ze groot”, zegt Gerarda. Ze voelt zich bekocht. „Mama heeft gelijk”, stelt Silas vast. „Ze worden groter door de vermenging met bantoes.” Het lijkt erop dat Elyssee, die zijn oog heeft laten vallen op een pygmeeënmeisje, hier graag een bijdrage aan wil leveren. Volgens Silas zijn de pygmeeën in Lolodorf kleiner, maar Elyssee weigert om er nog heen te rijden. Daar is het nu te laat voor, zegt hij.

In het primitieve logement waar we onderdak vinden, worden we de hele nacht uit de slaap gehouden door tropische hoosbuien. De volgende morgen kondigt Silas aan dat we teruggaan naar Yaoundé. De weg naar Lolodorf is afgesloten. Wij protesteren. We hebben recht op echte pygmeeën. Elyssee heeft de oplossing. Als we terugrijden naar de piste en Kribi aanhouden, kunnen we daar vanaf de kust landinwaarts varen naar een nederzetting met pygmeeën van het door mama gewenste formaat.

In de monding van een snel stromende rivier ligt een smalle houten boot met palmolienoten. De lading wordt gelost om ruimte voor ons te maken. Jongens met peddels dringen hun diensten op. De brutaalste vraagt of we drank en sigaretten hebben meegenomen, want „daar houden onze pygmeeën van”. „Stelletje boeven, daar houden júllie van”, lacht Gerarda. Ze laat hun de voorraad zout, zeep en lucifers zien, die we hebben aangevuld met vers brood. Ze brullen van afschuw, maar eenmaal op de rivier proberen ze achter onze rug de tassen leeg te roven.

Na een half uurtje peddelen en een korte wandeling door het oerwoud bereiken we de nederzetting. Het is meteen uit met de pret. We zijn getuige van een beschamende vertoning. Een tiental apathisch ogende, schamel geklede kleine mensen maakt, hiertoe kennelijk gedwongen door een stel bantoes, huppelpasjes op ‘original pygmy music, zoals een soort spreekstalmeester het noemt. Dezelfde man steekt zijn handen uit naar onze geschenken, maar daar grijpt hij mooi naast. Die zijn voor de pygmeeën.

Wij willen maar één ding, en dat is hier zo snel mogelijk vandaan. Om de tijd te doden tot we opgehaald worden, lopen we wat rond. Voor de show zijn een paar drijfjachtnetten op de grond uitgespreid. De pygmeeënmuziek, die wel heel bijzonder klinkt, blijkt uit een gettoblaster in een hut te komen. Bezoekers hebben een stapel kleding voor ‘die arme pygmeetjes’ achtergelaten. Een jonge bantoe trekt aan mijn mouw. Of ik ook mijn jack wil geven.

We besluiten op eigen houtje terug te gaan naar de boot. De weg wijst zich vanzelf. Er komt ons een groepje Japanners tegemoet met in hun spoor nog meer nieuwsgierigen.

Silas is verbaasd dat hij ons zo snel terugziet. Het ontgaat hem niet dat we aangeslagen zijn. „Twee soorten pygmeeën voor de prijs van één, en dan is het nóg niet goed”, zal hij denken. De waarheid is dat we ons doodschamen.