Nederland profiteert van gezonde kabelsector

Met zijn verwijten aan de kabelsector en zijn toezichthouders beschadigt Jaap Doeleman vooral zijn eigen reputatie van een gedegen en objectief jurist (Opiniepagina, 4 augustus). Hij gaat immers voorbij aan het feit dat Nederland profiteert van een gezonde en concurrerende kabelsector.

Ten eerste omdat een groot aantal gemeenten in de jaren `90 omvangrijke bedragen heeft verdiend bij de verkoop van hun kabelnetten. De burgers hebben hiervoor diverse publieke voorzieningen gekregen waar ze nog steeds plezier van hebben. Sommige gemeenten investeren zelfs (opnieuw) in nieuwe (glas-) kabelbedrijven.

Ten tweede omdat in Nederland dankzij het bestaan van twee goed ontwikkelde draadnetwerken een zeer concurrerende markt voor zogenaamde Triple-Play diensten (tv, internet en telefonie) is ontstaan. Die concurrentie heeft geresulteerd in de laagste prijzen, de hoogste penetratie, een heleboel werkgelegenheid en één winnaar: de klant. Die is zeker niet de dupe maar betaalt steeds minder voor meer.

Ten slotte de vergelijking met KPN. Voor iets meer dan 15 euro per maand kan de Nederlandse kabelconsument bijna 100 digitale tv-kanalen ontvangen. Voor alleen een kiestoon betaalt de KPN-consument al veel meer. Daar komen de gesprekskosten nog eens bovenop. Geen wonder dus dat KPN relatief veel meer winst maakt en waard is dan alle kabelbedrijven samen. Doeleman spreekt over een monopoliewinst van de kabelsector van 400 miljoen: KPN heeft in 2005 bijna zes keer zo veel winst gemaakt en wordt door de beurs veel hoger gewaardeerd dan 1.500 euro per aansluiting.

Als al korte metten met een monopoliewinst moet worden gemaakt, dan toch eerder die van KPN. Daar hoeft overigens geen toezichthouder als Opta aan te pas te komen: KPN-klanten zien zelf dat ze te veel betalen en stappen massaal over naar alternatieve aanbieders.