Meer kans op lange vrede dan op wereldramp

Het huidige internationale stelsel is niet ten prooi gevallen aan chaos, zoals Richard Holbrooke meent. Het lijkt eerder op het Concert van Europa na Napoleon, betoogt

Alfred Pijpers.

Volgens de voormalige Amerikaanse diplomaat Richard Holbrooke stevent de wereld af op een „onbeheersbare crisis” (NRC Handelsblad, 11 augustus). Volgens hem doet augustus 2006 denken aan augustus 1914. Toen brak de Eerste Wereldoorlog uit, die ruim vijftien miljoen dodelijke slachtoffers eiste. Max Kohnstamm en Geert Mak beweerden (Opinie & Debat, 3 juni) hetzelfde toen zij waarschuwden voor een nieuwe „wereldramp”.

Waarschijnlijk maken deze onheilsprofeten een elementaire rekenfout. De Eerste Wereldoorlog vloeide namelijk voort uit langdurige en fundamentele belangenconflicten tussen de grote mogendheden van die tijd: Duitsland, Frankrijk, Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Engeland, Turkije, Amerika. De belangrijkste spelers in de huidige wereldpolitiek (Verenigde Staten, Rusland, China, Japan, en de EU-landen Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland) onderhouden daarentegen sinds het einde van de Koude Oorlog uitstekende onderlinge betrekkingen met elkaar. Waarom zou dat noodzakelijkerwijs mislopen?

Het wereldsysteem waarvan zij de belangrijkste pijlers vormen, vertoont enkele uitgesproken stabiele elementen. Zo bestaan er geen acute militaire dreigingen of conflicten meer tussen de Verenigde Staten, Rusland, China, Japan, en de Europese Unie. Ook is onder hen geen sprake van conventionele of nucleaire wapenwedlopen. De militaire inspanningen van de VS of China verlopen tamelijk autonoom. Rusland heeft op grote schaal ontwapend. In de voormalige sovjetrepublieken zijn veel kernwapens vernietigd, voor een deel met Amerikaanse en Europese technische hulp. De defensie-uitgaven van de meeste EU-lidstaten zijn na de Koude Oorlog eveneens drastisch gedaald. De EU zelf weet nauwelijks troepen in het veld te brengen. Japan heeft niet eens een ministerie van Defensie. Vergelijk dat eens met augustus 1914 (of augustus 1945).

Anders dan aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, toen tot de tanden bewapende ententes elkaar naar het leven stonden, regelen de voornaamste staten in de wereld hun zaken nu vreedzaam via de VN-veiligheidsraad, de G-8, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), of de meer specifieke crisisbeheersingscomités zoals het Kwartet (voor het Palestijns-Israëlisch conflict) en allerlei regionale contactgroepen.

Dat systeem lijkt aardig te werken. Tijdens de Koude Oorlog bestreden de supermachten elkaar via hun vazalstaten in Indochina, Midden-Amerika, Afrika, en het Midden-Oosten. Regionale conflicten dreigden toen regelmatig de pan uit te rijzen en over te slaan naar het centrale niveau. Tijdens de Oktoberoorlog in 1973 gaf Washington bijvoorbeeld een nucleaire waarschuwing aan Moskou toen Israël onder de voet dreigde te worden gelopen.

Nu ligt dat veel gunstiger. Amerika, Rusland en de Europese Unie werken nauw samen in allerlei crisis- en conflictgebieden. De recente Balkanoorlogen laten zien dat daarbij escalatie kan worden voorkomen. Dat was in 1914 wel anders. Ook de humanitaire crises in Afrika (Rwanda, Kongo, Soedan) blijven, hoe gruwelijk ook, beperkt tot de eigen regio.

De NAVO heeft zonder noemenswaardige Russische tegenstand zijn partnerschappen uitgebreid tot diep in Oost-Europa en het Middellandse-Zeegebied. Onlangs was NAVO-chef Jaap de Hoop Scheffer nog in Jeruzalem om de samenwerking met Israël te verbeteren. Binnen het Kwartet stemmen de Verenigde Staten, de Europese Unie, Rusland, en de Verenigde Naties hun standpunten over het Palestijns-Israëlisch conflict nauw op elkaar af. En mede dankzij de nieuwe Duitse regering is de relatie tussen de EU en de VS veel beter geworden.

Essentieel is dat de grote spelers elkaars vitale belangen en invloedssferen respecteren. Dus Amerika en de EU staan bijvoorbeeld toe dat Poetin weer een autocratisch tsarenrijk sticht op de puinhopen van de voormalige Sovjet-Unie. Poetin kreeg de vrije hand van de internationale gemeenschap toen hij met massaal geweld de opstanden in Tsjetsjenië onderdrukte. Daarbij vielen bijna 100.000 doden. De energiebehoeftige EU gaf geen krimp. In ruil daarvoor kregen de VS en Groot-Brittannië ruim baan in Irak, en mag de NAVO in Afghanistan opereren, eens de achtertuin van de Sovjet-Unie. China wordt ook geen strobreed in de weg gelegd in Tibet.

Anders dan Holbrooke denkt is dus geen sprake van een „onbeheersbare crisis” in de wereld, maar veeleer van een serie gecoördineerde inspanningen van de grote mogendheden en hun bondgenoten om terroristische en nucleaire opstanden te bedwingen. Iran staat ook op de lijst, en de vraag is niet óf Rusland en China de nucleaire ontwapening van de ayatollah’s zullen gedogen, maar welke prijs zij daarvoor zullen vragen. In het Chinese geval waarschijnlijk: wat meer speelruimte in Taiwan. Niet leuk voor de desbetreffende volken, maar noodzakelijk voor de stabiliteit van het wereldsysteem.

Het huidige internationale stelsel lijkt op het Concert van Europa in het post-napoleontische tijdperk. Toen sloegen de gekroonde staatshoofden van de grote mogendheden eveneens de handen ineen om revolutie en terreur de kop in te drukken. Dat systeem vormde de opmaat voor wat historici beschouwen als de „lange vrede” van de negentiende eeuw.

Alfred Pijpers is verbonden aan het instituut Clingendael in Den Haag.

De artikelen van Holbrooke en van Kohnstamm en Mak zijn na te lezen op www.nrc.nl/opinie