Ja, de blunders, die halen wél het nieuws

De AIVD ligt onder vuur. Agenten gaan slordig om met geheimen, Theo van Gogh werd vermoord.

Zelf zeggen AIVD’ers dat ze het nooit goed kúnnen doen.

In een onopvallende wijk in Leidschendam staat het hoofdkantoor van de AlVD, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Op de gevel staat ‘Ministerie van Binnenlandse Zaken’. Alleen het hoofd, Sybrand van Hulst, en de voorlichter, Miranda Havinga, hebben een naam, de andere 1.100 medewerkers niet. Door de telefoon worden alleen datum en tijd van de afspraak gemeld, niet met wie.

Vanaf maart dit jaar zijn er zo een paar afspraken gemaakt bij de AIVD. Met de directeur van de directie strategie en juridische zaken en met het hoofd strategie, planning en coördinatie van een afdeling daarbinnen. De vraag was even simpel als onmogelijk. Wie zijn jullie en wat doen jullie? Want de kern van intelligence werk, zeggen deze AIVD’ers, is dat het niet transparant is.

Eind 2004 bracht de commissie-Havermans in opdracht van minister Remkes (Binnenlandse Zaken) een rapport uit over de dienst. De informatiepositie is goed, zegt de commissie, er zijn terroristische en andere gevaren tijdig uit de weg geruimd. Het probleem van de dienst blijkt uit twee opmerkingen: „De betrokkenen in de veiligheidsketen (jargon voor politie en OM, red.) hebben een overwegend negatief beeld van de AIVD.” En: „De beeldvorming in de media is overwegend negatief.” Gek is dat niet. De ene na de andere blunder kwam in de openbaarheid. Een ontslagen AIVD’er nam staatsgeheimen mee die bij De Telegraaf terechtkwamen. Een geheim agent liet diskettes met gevoelige informatie liggen in de lease-auto die hij terugbracht.

De dienst voorkwam de aanslag op Theo van Gogh niet. De dader Mohammed B. was bekend bij de AIVD, zijn vrienden waren al eens opgepakt, zijn telefoons werden getapt. En toch was de moord niet verhinderd.

De politie en het openbaar ministerie klaagden openlijk over de ambtsberichten van één A-viertje die de AIVD bij hen „over de schutting” gooide. En de Haagse agenten die naar terreurverdachte Jason W. werden gestuurd in de Haagse Antheunisstraat waren onaangenaam verrast toen er een handgranaat werd gegooid. De AIVD had het appartement afgeluisterd, ze wisten toch dat er granaten waren? Waarom hadden ze dan niet gewaarschuwd?

De AIVD is een blunderaar. Een stoethaspel. Bij de AIVD willen ze graag vertellen dat dat niet zo is.

De directeur strategie ontvangt in zijn werkkamer. De televisie staat afgestemd op een Syrische zender, een imam houdt een lange verhandeling. Later vertelt de directeur dat hij geen woord Arabisch verstaat, maar dat hij zo’n zender wel toepasselijk vond. De directeur en het hoofd zien er niet uit als geheim agenten, morsige mannen met gleufhoed. Ze zien er elegant uit en spreken in Engelse termen. Ze praten over targets en suspecte subjecten. De directeur: „Toen ik hier kwam verwachtte ik cowboys aan te treffen. Mij trof de rechtstatelijkheid, de zorgvuldige en geraffineerde manier van werken.”

Wat er over de AIVD wordt gezegd, berust, zeggen zij, op misverstanden. Bijvoorbeeld de slechte verhouding met de politie en het openbaar ministerie. Het politiewerk en het inlichtingenwerk zijn afgebakend, zoals de wet voorschrijft. Sinds de oprichting van de dienst, in 1949, is ervoor gekozen het opsporingswerk los te koppelen van het inlichtingenwerk. Niemand zat na de oorlog te wachten op een geheime politiedienst met arrestatiebevoegdheid.

De geheime dienst is de hond die blaft op het erf, die inlichtingen verzamelt over naderend ongekend gevaar. Door gesprekken te voeren, websites en preken te bestuderen, mensen af te luisteren. Dat vereist een lange adem. „Je volgt een groep mensen. Je wilt weten wie ze kennen, wat ze in petto hebben. Als je je informatie dan meteen naar de politie brengt, blaas je je eigen onderzoek op.”

Vaak genoeg wordt het OM wél op de hoogte gebracht, als de AIVD stuit op personen die zich schuldig maken aan strafbare feiten. „Dan melden wij: bij die en die meneer constateren wij strafbare feiten. Dan kan het OM daar wel of niet iets mee doen.”

Of er informatie wordt gedeeld met de politie, dát beslist de AIVD zelf. Hun checks and balances en hun Fingerspitzengefühl zijn doorslaggevend. We werken, zeggen de AIVD’ers, op een need to know basis. Nadeel daarvan is dat als het misgaat, politici, media en publiek naar de dienst wijzen. De AIVD’ers: „Wij krijgen alle shit over ons heen. Eigen onkunde wordt op óns afgewenteld.”

Bij de inval in Den Haag hád de AIVD gewaarschuwd dat de verdachten vuurwapengevaarlijk waren. De dienst ontkent dat ze wist van de handgranaten. Later, bij de rechtszaak tegen Jason W., werd het bandje beluisterd waarop de gesprekken stonden die de verdachten in de Antheunisstraat voerden. „Dat ze het over handgranaten hebben, is alleen te verstaan met wijsheid achteraf.”

Een misverstand is ook, zeggen de AIVD’ers, dat verdachten op basis van summiere informatie worden veroordeeld. AIVD-informatie, zeggen zij, berust nooit op één bron en is ook niet bedoeld als bewijs, zeggen ze. Ze zullen nooit, ook niet aan de rechter, vertellen van wie hun informatie komt. „We zijn blij met het wetsvoorstel om AIVD’ers als afgeschermde getuige te horen bij de rechter-commissaris.”

Na de terreuraanslagen is de discussie over het bestaansrecht van de geheime dienst gestopt. „Zelfs bij GroenLinks.” Na de val van de Muur in 1989 leek het erop dat de dienst werkloos zou worden. Maar toen kwamen de aanslagen. De AIVD waarschuwde er in de jaren negentig al voor. De AIVD’ers zeggen het met een spoor van miskenning: pas na 11 september 2001 werd terreurbestrijding in Nederland ‘pregnant’.

Terreurbestrijding werd, naast andere taken zoals bestrijding van radicaal-links, een hoofdtaak voor de AIVD. Er kwam ook een Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb), maar die valt onder het ministerie van Justitie. Er was al een militaire veiligheidsdienst, ondergebracht bij het ministerie van Defensie, die zich ook bemoeit met terreur. Drie ministers (Remkes, Donner en Kamp) hebben nu zeggenschap over terreurbestrijding. De sturing is, zegt de commissie-Havermans, zo onduidelijk, dat het er op neer komt dat de AIVD juist „te veel aan zichzelf wordt overgelaten.”

Na de aanslagen in Amerika, Madrid en Londen kwamen de geheime diensten daar tot de conclusie dat ze al jaren te veel hadden vertrouwd op technische informatie. En te weinig op menselijke informatiebronnen. Dat probleem heeft de AIVD minder, zeggen ze. Ze hebben informanten die ze betalen. Een ‘agent’ is geen vermomde AIVD’er, maar een persoon die dichtbij of in een organisatie zit die door de AIVD wordt ‘gerund’. Zulke spionnen kunnen, in opdracht van de AIVD, „richting een groep worden opgebouwd, op een natuurlijke manier aansluiting vinden en dan productief worden”.

Hun bevoegdheden zijn ingrijpend, erkennen de AIVD’ers. „Maar we hebben het niet over winkeldiefstal. Het gaat om de veiligheid van de staat.” Maar wie controleert de AIVD? Er is een commissie van toezicht, die alle dossiers van de dienst mag inzien. In de Tweede Kamer bestaat ook de ‘commissie voor Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten’ die regelmatig wordt geïnformeerd door de AIVD.

De controle is minimaal. Twee Telegraaf-journalisten kwamen er achter dat de AIVD hun telefoons afluisterde toen ze artikelen hadden gepubliceerd over staatsgeheimen die in hun bezit waren. Politici vonden het een schande.

Bij de AIVD noemen ze het hun ‘spagaat’. De buitenwereld wil een geheime dienst, verwacht dat die alles voorziet, maar schrikt als bekend wordt wat daarvoor nodig is. Deze AIVD’ers berusten: „De buitenwereld zal nooit van ons houden.”

Dossier moslimterreur op nrc.nl