Het graf van Atreus met een Turk in klederdracht

Tentoonstelling: Hellas – visies op Griekenland in de 19de eeuw. In: Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam. T/m 18/9, di-vr 10-17, zat-zon 13-17. (020) 5252 556, cf.uba.uva.nl/apm

Een koninklijk paleis op de Akropolis, het had gekund. Architect Karl Friedrich Schinkel had al een ontwerp gemaakt voor Otto I, in 1833 de eerste koning van Griekenland geworden. Het paleis zou de vorm krijgen van een villa in klassieke Griekse stijl. Niet hoog, want dan zouden het Parthenon en Erechteion, die in oude glorie hersteld moesten worden, in het niets vallen. Het plan ging niet door omdat Otto’s vader, Ludwig van Beieren, het niet wilde.

Dit is een voorbeeld van wat bezoekers aan de tentoonstelling Hellas, visies op Griekenland in de negentiende eeuw in het Amsterdamse Allard Pierson Museum zullen opsteken. De tentoonstelling, samengesteld door studenten Museumstudies, is niet alleen informatief. Aan de hand van oude kaarten, prenten, boeken, schilderijen en foto’s uit verschillende Nederlandse collecties vertellen de samenstellers ook een onderhoudend verhaal. Zo liet Karl Friedrich Schinkel, die onder meer het Altes Museum in Berlijn heeft ontworpen, zich door de oude Griekse architectuur inspireren om zich af te zetten tegen het op het oude Rome geïnspireerde Franse neoclassicisme. En dat had weer alles te maken met de voormalige bezetting door de Fransen van Schinkels geliefde Pruisen.

Opvallend is dat Schinkel nooit in Griekenland is geweest. Voor kennis van de Griekse bouwkunst hoefde dat ook niet, omdat al in de achttiende eeuw Engelse en Franse reizigers tijdens hun Grand Tour ook Griekenland hadden bezocht en de monumenten hadden getekend en geschilderd. Vooral de Britse architecten James Stuart en Nicolas Revett legden de architectuur nauwkeurig vast in hun standaardwerk The Antiquities of Athens Measured and Delineated, getuige een exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek. Door het werk van mensen als Stuart en Revett werd Griekenland opnieuw ontdekt. Niet Rome, maar Athene werd nu als bakermat van de westerse beschaving gezien. Probleem was dat die bakermat inmiddels tot het Ottomaanse rijk behoorde. Romantici als Byron en Shelley begonnen daarom de Griekse onafhankelijkheid te propageren.

Ook in Frankrijk ontstond een filhellene beweging. Liberale intellectuelen en kunstenaars moesten niets hebben van het conservatieve bewind van Lodewijk XVIII en zijn steun aan de Turken. De opstandige Grieken waren voor hen de erfgenamen van de Franse Revolutie. Eugène Delacroix en Ary Scheffer hielpen met hun propagandistische schilderijen de publieke opinie te beïnvloeden. Met succes; in 1827 gaf Frankrijk zijn steun aan de Turken op.

Hier wilde Willem I dat Nederland zich als moderne natie kon spiegelen aan Frankrijk, Engeland en Duitsland. Hij gaf daarom de jonge archeoloog Casper Reuvens opdracht het nieuwe Museum van Oudheden in Leiden net als het Louvre en British Museum met oudheden te vullen. Jean Rotiers, een gepensioneerde kolonel met contacten in Griekenland, werd er op uitgestuurd om opgravingen te doen en collecties te verwerven. Al snel botste het tussen de wetenschappelijk ingestelde Reuvens en de avonturier Rotiers, die vooral op mooie objecten uit was. Tot Reuvens’ verdriet en ergernis dacht koning Willem er niet veel anders over.

Aan het eind van de tentoonstelling worden die twee visies uit de negentiende eeuw, de puur wetenschappelijke en de romantische, nog eens mooi naast elkaar gezet. Een foto uit 1880 toont kaal en haarscherp de ingang van het zogenoemde graf van Atreus bij Mykene. Op de aquarel staat dezelfde ingang. Maar nu is er vergankelijkheid oproepende begroeiing te zien en zijn ook een Turk en een Griek afgebeeld – in klederdracht.