De geschiedenis spreekt hem niet vrij

„Hoe kan iemand een bloedig, onderdrukkend, infaam bewind legitiem noemen?” Een goede vraag. De man die haar stelde was Fidel Castro, in 1953, toen hij terechtstond als leider van een aanval van 150 jonge rebellen op een kazerne in Santiago de Cuba. In een vijf uur durende verdedigingsrede (toen al) klaagde Castro het regime aan van zijn voorganger Fulgencio Batista, een wrede tiran, massamoordenaar en zetbaas van de Amerikaanse maffia.

Nu Castro als 80-jarige bijna aan zijn einde is, heb ik die rede nog eens nagelezen. Een groot deel ervan is gewijd aan de rechtvaardiging van de gewapende actie die het startsein was van de Cubaanse revolutie. De opstand was gericht op herstel van de Cubaanse soevereiniteit en dus in overeenstemming met zijn grondwettelijke plichten. De officieren van Batista hadden met martelingen en moorden de rebellie uitgelokt. Vervolgens zette Castro de grondslagen van de door hem gepreekte revolutie uiteen: nationale onafhankelijkheid, landhervormingen, nationalisatie van Amerikaanse bedrijven ter financiering van pensioenen, onderwijs en gezondheidszorg, vorming van een regering op basis van de volkswil en het recht. Beroemd is het slot van de rede geworden. Castro vroeg niet om vrijspraak, maar wilde bij zijn gevangen medestrijders blijven. „Veroordeel me. Het maakt niet uit. De geschiedenis zal mij vrijspreken.”

La historia me absolverá. Hij kwam vrij in 1955, week uit naar Mexico, vormde een guerrillaleger en veroverde in 1959 Havana. Was dat het moment waarop de Cubaanse leider zes jaar eerder had gedoeld? Met andere woorden: betekende de militaire overwinning van het rebellenleger en de vlucht van de gehate Batista tevens de vrijspraak waarvan hij zich verzekerd had geweten?

Wie de speech uit 1953 terugleest, wordt getroffen door het idealisme van de daarin geformuleerde doelstellingen, de vastbeslotenheid waarmee Castro het opnam voor het verdrukte volk en het overtuigende beroep op zijn geweten. Zowel in zijn veroordeling van het voorgaande regime als in zijn voorspelling van de ondergang daarvan had hij in 1959 gelijk gekregen. Maar de vraag is of dat, zoals hij altijd is blijven geloven, in de geschiedenis besloten lag.

Door zijn succes als maatstaf te nemen voor het oordeel van de geschiedenis, matigde Castro zich de rol aan van de profeet die met zekerheid het wetmatige verloop van de historische ontwikkeling blootlegt. Het is deze zelfvergroting die ertoe heeft bijgedragen dat aan Castro en zijn volgelingen de vraag moet worden gesteld die hij zelf Batista in het gezicht slingerde: „Hoe kan iemand een bloedig, onderdrukkend, infaam bewind legitiem noemen?” Wie het oordeel hierover toevertrouwt aan een instantie die de geschiedenis heet, zou moeten zeggen dat een regime wordt gelegitimeerd door het gegeven dat het de macht heeft verworven.

Velen zullen in het denkbeeld dat de geschiedenis een bestemming en vervulling heeft, hegeliaans of marxistisch gedachtegoed herkennen, maar ook voorgaande heilsleren, waaronder het christendom, zien een doel en betekenis in de geschiedenis. De geschiedenis moet ‘vervuld’ worden.

La historia me absolverá is niet een verwachting met betrekking tot een historisch verloop. Het betekent dat de geschiedenis iemands daden bij voorbaat legitimeert en dat zijn handelen overeenkomt met de menselijke bestemming. Dat denkt iedere dictator of godsdienstwaanzinnige profeet. Wie zegt dat ‘de geschiedenis mij in het gelijk zal stellen’, nodigt anderen uit de kant van de overwinnaar te kiezen en het recht van de sterkste te aanvaarden. Dat leidt voor die anderen in de praktijk, zoals ook op Cuba is gebleken, tot totale onderwerping aan een despotisch leiderschap.

Natuurlijk is dit niet de enige oorzaak van de wending naar een autocratie en een nieuwe tirannie die de Cubaanse revolutie al snel na de machtsovername van de fidelisten in 1959 heeft genomen. De militarisering van de samenleving onder dreiging van een Amerikaanse invasie, de Koude Oorlog, de navolging van het sovjetmodel met zijn eenpartijstaat en commando-economie zijn van grote invloed geweest. Analyse van zulke factoren betekent echter niet het inroepen van een oordeel door de geschiedenis, maar een interpretatie van de geschiedenis.

De nu bijna voltooide episode-Castro heeft van begin af aan tot vele interpretaties en tegenstrijdige oordelen uitgenodigd.

In linkse kringen in Europa en de Verenigde Staten gold Castro aanvankelijk als personificatie van een hoopvolle en betoverende ervaring. Onder de tropenzon voltrok zich, leek het, een vrolijke revolutie, een toonbeeld van humanisme in tegenstelling tot het sovjetcommunisme, een symbiose van politiek radicalisme en avant-gardistische cultuur. De droom vervloog snel. Cuba werd een kazerne en Castro ontpopte zich als een caudillo die zijn persoonlijke macht boven alles stelde.

Daarbij verbleken de verdiensten die er óók zijn. Castro’s Cuba heeft aangetoond dat een betrekkelijk klein land in Latijns-Amerika zich niet onderdanig hoefde te tonen aan de Verenigde Staten. De Cubaanse revolutie was – en is in sommige opzichten nog altijd – een bron van inspiratie voor de armen en onderdrukten in Latijns-Amerika voor zover het gaat om het naakte bestaan. Aan de andere kant: de belofte van een samenleving zonder armoe en ellende is door Castro gebroken. Het is waar dat het regime serieus werk heeft gemaakt van sociale verbeteringen op het gebied van medische voorzieningen, onderwijs en werkgelegenheid. Maar ook op Cuba hebben maatregelen ten gunste van de armen en verdrukten vergaand plaatsgemaakt voor privileges van de nomenclatura. De Amerikaanse boycot, het wegvallen van de sovjetsteun, de nog grotere armoede in sommige andere Latijns-Amerikaanse landen, zijn daarvoor geen rechtvaardiging.

Het zal de geschiedenis onverschillig laten, maar de Cubanen snakken naar dollars. In de tijd van Batista was Cuba een bordeel van de maffia, nu is het een reisbestemming van het sekstoerisme. Toch is Castro in de ogen van talloze verdrukten nog altijd een symbool van de hoop en wordt hij bijvoorbeeld door de populist Chávez in Venezuela als held en heilige geëerd.

Afgelopen weekeinde vierde de partijkrant Granma de 80ste verjaardag van de Commandant met de kop: ‘Absuelto por la historia’. Opnieuw vrijspraak! De geschiedenis heeft immers lak aan het ontbreken van vrijheid van meningsuiting, persoonlijke verantwoordelijkheid en democratie. Waar je op mag hopen, is dat uiteindelijk de Cubaanse bevolking zal kunnen oordelen.