Stripprofessors

Er zijn nogal wat romans en toneelstukken waarin hoogleraren de hoofdrol of een belangrijke bijrol spelen. Denk bijvoorbeeld aan professor Humbert Humbert in Lolita en aan professor Higgins in Pygmalion, een stuk van George Bernard Shaw dat werd omgewerkt tot de musical My Fair Lady. Toch zijn deze hoogleraren niet uitgegroeid tot archetypes. De bekendste hoogleraren komen niet uit de literatuur, maar uit beeldverhalen.

Een van de striphoogleraren die soortnaam zijn geworden, is professor Pi. Pi is de hoofdfiguur uit een strip die de Nederlandse tekenaar Bob van den Born voor Het Parool maakte. Het gaat om een klein, onverstoorbaar mannetje met een groot kaal hoofd en een rond brilletje. De strip bevatte geen tekst en besloeg vaak slechts één afbeelding. Daarop was altijd iets absurds te zien. Zo zie je Pi, uitgedost als kunstschilder, het portret van iemand die voor hem poseert met een heggenschaar uit een heester knippen.

De eerste aflevering van professor Pi verscheen op 2 januari 1955 in Het Parool. In 1966, na 2929 afleveringen, gooide Van den Born het bijltje erbij neer. Van den Born maakte internationaal naam met Pi. De stoïcijnse hooggeleerde verscheen in Spaanse, Italiaanse en Scandinavische kranten. Tussen 1993 en 1998 keerde Pi terug in Het Parool.

Pi wordt nog geregeld opgevoerd als typetje. Zo schreef de Volkskrant eens: ,,Zo’n figuur was de Fransman Raoux, die als een professor Pi bijna voor een verrassing zorgde.’’

De Bommelverhalen van Marten Toonder hebben twee beroemde hoogleraren opgeleverd: professor Sickbock en professor Prlwytzkofski. Sickbock debuteerde in Tom Poes en het verdwijneiland, een verhaal dat in 1941 in De Telegraaf stond en dat later in boekvorm verscheen. Zoals zijn naam al doet vermoeden is Joachim Sickbock een bok, met een witte jas aan en een brilletje halverwege zijn neus. Sickbock, verbonden aan de Universiteit van Upswa, zou in totaal in 28 verhalen een rol spelen.

Sickbock is een ‘sick man’. Hij is kwaadaardig en manisch op zoek naar macht. Hij gebruikt al zijn wetenschappelijke kennis om dat doel te bereiken. Daarnaast is hij een geniale uitvinder. Hij is in staat de wortel uit min 1 trekken en hij bouwt de wonderlijkste machines, zoals een transmutator, een peritator-oven, een miniseerbank en een retinator.

Nederlands met een Duits accent, of doorspekt met Duitse woorden, is weleens ‘Prlwytzkofski-Nederlands’ genoemd, naar Zbygniew Prlwytzkofski, die in 1948 debuteerde in Tom Poes en het monster van Loch-Nessis. Professor Prlwytzkofski, de man met de onmogelijke naam, is het type van de empiricus. ,,De wetenschap wordt in deze figuur aardig voor aap gezet’’, aldus Toonder-deskundige Pim Oosterheert, ,,want de professor meet en onderzoekt, maar is – zo hij al met een wetenschappelijke oplossing komt – altijd te laat om iets op te lossen, omdat Tom Poes met zijn listen hem al is voorgegaan.’’

De bekendste stripprofessor, het archetype van de ‘verstrooide professor’, is natuurlijk Trifonius Zonnebloem, de verstrooide en hardhorende geleerde die in 1944 debuteerde in De schat van Scharlaken Rackham. Volgens sommigen modelleerde Hergé hem naar de Zwitserse natuurkundige Auguste Piccard (1884-1962), de uitvinder van de bathyscaaf (een toestel voor het duiken op grote diepte). Volgens anderen liet Hergé zich inspireren door Palmyrin Rosette, de sleutelfiguur in Jules Vernes Hector Servadac. Hoe het ook zij: met Zonnebloem heeft hij een hoogleraar bedacht die nog vaak in de media opduikt.

Ewoud Sanders

Reacties naar sanders@nrc.nl